Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gaat de erosie bij a verder en wordt liet harde gesteente h bereikt, zoo glijdt als het ware de mechanische kracht van het water daarop af; er wordt dan dus een steilere wand al, an, a, gevormd in het zachte gesteente, terwijl de tegenoverliggende minder steile dalhelling geheel of voor het grootste gedeelte uit het harde gesteente bestaat.

Wordt daarentegen b verdiept, zoo zal de erosie in den beginne vrij wel loodrecht naar beneden voortgaan. Eenmaal het zachte gesteente z1 bereikt zijnde zal ondergraving van de rechter dalhelling plaats vinden, waardoor die zijde vlakker wordt door nastorling.

In beide gevallen ziet men dus dat aan de vlakke dalzijde de lagen naar het dal toevallen, aan de steile daarentegen er van af vallen.

§ lêS. Een aantal der hooge, uit sedimentgesteenten opgebouwde gebergten is ontstaan door de vorming van buigingen (§ 114) welker zadels en plooien evenwijdig loopen met de lengterichting van het gebergte. Hierbij blijft dus ook de richting der lagen vrij constant, terwijl het invallen afwisselend naar tegengestelde hemelsrichtingen plaats heelt (zie fig. 84 § 115 en fig. 135 en 141).

Bij andere gebergten echter blijft ook de helling der lagen dezelfde, hetzij doordat eenvoudige oprichting er van heeft plaats gehad, hetzij doordat de plooien overgestort zijn (isoclinale) (§ 114) en het bovenste gedeelte later geheel is geërodeerd.

In beide soorten vindt men gewoonlijk twee of meer bergreeksen achter elkaar, en de daarin voorkomende dalen onderscheidt men in lengtedalen en dwarsdalen, al naar de richting er van overeenstemt met of ongeveer loodrecht staat op die der gesteentelagen.

Bij een geplooid gebergte is het gemakkelijk in te zien dat ter plaatse waar zich zadels gevormd hebben het gesteente uit elkaar gebarsten zal zijn, terwijl het in de geulen samengeperst is. Werkelijk ziet men ook de lengtedalen bijna altijd ingezonken op de oorspronkelijke zadelruggen (a in fig. 141) zoodal aan beide dalhellingen de lagen van het dal afvallen, terwijl hel tusschen Iwee dalen gelegen gebergte er uitziet alsof het uil een aantal in elkaar passende schalen is samengesteld.

Geschiedt ditzelfde bij overgestorle plooien zoo is het invallen aan beide dalhellingen natuurlijk geheel of nagenoeg gelijk.

Heeft eenvoudige oprichting der lagen plaats gehad, zoo zijn de lengtedalen bij voorkeur in de zachtste gesteenlesoort gevormd.

Het onderscheiden der beide laatstgenoemde dalen kan soms zeer moeilijk zijn.

Sluiten