Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor de étages moet men als voorwaarde stellen een concordante opeenvolging der lagen; in den regel is dit ook nog voor de afdeelingen het geval, ofschoon het geen vereischte is; de verschillende afdeelingen van eenzelfde stelsel liggen echter niet zelden discordant op elkaar.

De étages ontvangen dikwijls hun naam naar een kenmerkend gesteente of ertslaag b. v. kalk-, zandsteen-, kool-, ijzerertsétage; — een laag welke een kenmerkend fossiel bevat noemt men gewoonlijk zone of horizon.

Wie met de vorige hoofdstukken van dit werk reeds bekend is, zal wel inzien dat kalksteen, zandsteen, kleischiefer en schieferklei, mergel en dergelijke, hoofdzakelijk klastische, sedimenten ten allen tijde ontstaan zijn en dat men dus uit de petrografische samenstelling eener streek nooit een bepaalde gevolgtrekking kan maken omtrent den ouderdom; deze laatste berust alleen op de bepaling van gevonden fossielen. Toch zijn er enkele aanwijzingen te geven van zuiver petrografischen aard. Zoo zijn gneiss, glimmerschiefer, hoornblendeschiefer, talkschiefer en dergelijke vrij wel beperkt tot de archeïsche groep; zoo komen steenkolen in hoofdzaak in de carbonische- en tertiaire perioden, echt krijt bijna uitsluitend in de cretaceïsche periode voor.

Nog betere aanduidingen geven sommige massiefgesteenten. In de eerste plaats natuurlijk de zoogenoemde jongere gesteenten, die tertiair of jonger zijn. Dan echter zijn zekere perioden (met name Perm en Tertiair) in veel sterkere mate het tooneel geweest van vulkanische erupties dan andere (b. v. de cretaceïsche periode). Dit geldt echter weer volstrekt niet over degeheele aarde en het is b. v. reeds gebleken dat in Oost-Indië juist in de — elders zeer rustige krijtperiode zeer veel massiefgesteenten aan de oppervlakte zijn gekomen.

Het vinden van een massiefgesteente van bekenden ouderdom in sedimenten kan natuurlijk alleen dan tot een ouderdomsbepaling dier sedimenten aanleiding geven indien het eerste als lager of dek tusschen de afzettingen voorkomt. In gangvorm is de eenige te trekken conclusie, dat het omsluitende sediment ouder is. Omgekeerd is uit den bekenden ouderdom van sedimenten soms te besluiten tot dien van een massiefgesteente.

§ 189. GESCHIKTHEID DER DIEREN 0>I FOSSIELEN TE VORMEN. Het spreekt wel van zelf dat niet alle dieren even geschikt zijn om in fossielen toestand bewaard te blijven. Alle vleesclideelen en dergelijke stoffen worden natuurlijk na den dood door de verrotting vernietigd en alleen de zoogenoemde anorganische gedeelten b. v. het geraamte bij de hooger ontwikkelde dieren, de schelpen bij oesters, de huisjes van slakken, enz. kunnen onder gunstige omstandigheden later worden teruggevonden.

Sluiten