Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XVII.

DE VERSPREIDING DER NUTTIGE MINERALEN.

§ £9S. ALGEMEENE EIGENSCHAPPEN. Alvorens tot de eigenlijke beschrijving over te gaan willen wij eerst eenige algemeeno regels vaststellen, die echter reeds voor een goed deel uit het in de vorige bladzijden gezegde zijn af te leiden en waarvan de waarheid uit de beschrijving nader zal blijken.

I. De nuttige mineralen komen voor:

a. als werkelijke onderdeden eener sedimentformatie (lagen, lagers, nieren, nesten) of van een eruptiefgesteente (afgescheiden of ingesprenkeld) en zijn dan gelijktijdig niet hun omgeving gevormd;

b. in gangen (aders, snoeren) of zakken, die jonger zijn dan hun omgeving en zoowel in sediment- als eruptiefgesteente kunnen optreden.

II. Zondert men kolen en petroleum uit, zoo zijn de nuttige mineralen niet aan een bepaald soort van voorkomen gebonden, ofschoon de meeste ertsen wel bij voorkeur in den een of anderen vorm optreden.

III. Het voorkomen der nuttige mineralen staat niet in direct verband tot een bepaalde geologische periode of tot een bepaald gesteente.

IV. De nuttige mineralen worden gevonden op oorspronkelijke (primaire) of afgeleide (secundaire) ligplaatsen; tot de laatste rekent men zulke, waarvan het duidelijk is dat zij door erosie en samenspoeling in de jongste perioden zijn gevormd (b. v. de stroomtin- en stroomgoudafzettingen).

§ £96. Goudertsen.

Het goud komt in de natuur voornamelijk in gedegen toestand voor, zelden als een verbinding van goud met het element tellurium (nagyagiet in Zeven bergen); voor de goudontginning van zeer veel belang is het feit dat pyriet (en in mindere mate ook mispickel) zeer dikwijls goudhoudend zijn en op dit metaal met voordeel kunnen verwerkt worden. Hierbij doet zich dan in den regel hel verschijnsel voor dat aan het uitgaande en tot op zekere diepte de

Sluiten