Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezigt, af van den wortel H2, welk woord „omhulsel" beteekent. Daaruit leiden zij af, dat God niet wil, dat Zijn Geest nog langer in het menschelijke lichaam zal gevangen blijven, als opgesloten in een omhulsel. Maar omdat die uitlegging den zin verdraait, en aldus de dwaasheid der Manicheën weer boven komt, alsof 's menschen ziel een deel is van den Goddelijken Geest, moet ze door ons verworpen wordén. Meer algemeen heerscht onder de Joden het gevoelen, dat het bedoelde woord is van den wortel in. Doch omdat dit woord dikwijls wordt gebruikt voor „oordeelen" en nu en dan ook voor „twisten", krijgt men daardoor nog weer verschillende uitleggingen. Want enkelen leggen het zoo uit, dat God de menschen niet meer wil verwaardigen met de leiding Zijns Geestes, omdat de Geest Gods in ons optreedt als Rechter, als Hij ons begiftigt met rede, die ons het rechte spoor doet volgen. Op zijne eigenaardige wijze laat Luther dit slaan op de uitwendige heerschappij des Geestes, die Hij oefent door den dienst der Profeten, alsof bepaaldelijk een van de aartsvaders in eene samenkomst zou gezegd hebben: „Het past ons op te houden met spreken, want het is beneden de waardigheid van Gods Geest, Die door ons spreekt, zich nog meer af te matten in 't overtuigen der wereld". Deze verklaring is wel scherpzinnig, maar wijl dè zin der Schrift niet mag opgemaakt worden uit onzekere gissingen, verklaar ik dit eenvoudig zoo, dat de Heere als hetware vermoeid van de hardnekkige verkeerdheid der wereld, de straf, die Hij tot hiertoe had uitgesteld, als nabij aankondigt. Want de Heere houdt de straf een weinig in en onderhandelt met de menschen, voornamelijk als Hij öf door dreigingen, öf door voorbeelden van lichte kastijdingen, hen tot bekeering noodigt. Zoo had Hij reeds eenige eeuwen met de wereld getwist, en toch werd ze hoe langer hoe slechter. Eindelijk er van walgende, zegt Hij, dat Hij niet van plan is langer te twisten, zooals men in het Fransch zegt: „c'est trop plaider". (dat is te veel gevergd). Want daar God lang had getwist met de ongeloovigen, hen tot bekeering noodigende, bepaalt Hij ten slotte, dat de zondvloed het einde van den strijd zou zijn. Intusschen verwerp ik het gevoelen van Luther niet geheel, dat God, nu Hij bij ondervinding wist, dat de slechtheid der menschen onverbeterlijk was, niet wilde, dat Zijne Profeten tevergeefs zich zouden afmatten. Maar de algemeenc beteekenis moet tot deze bijzonderheid niet

Sluiten