Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrouw en de vrouwen zijner zonen met hem, van wege de wateren van den vloed.

8. Van het reine vee, van het onreine, en van het gevogelte en van alles dat kruipt op de aarde,

9. Kwamen er twee en twee tot Noach in de ark, het mannetje en het wijfje, zooals God aan Noach had bevolen.

10. En het geschiedde na zeven dagen, dat de wateren van den vloed op de aarde waren.

11. In het zeshonderdste levensjaar van Noach, in de tweede maand, op den zeventiende dag der maand, op dien dag zelve, zijn alle fonteinen van den grooten afgrond opgebroken, en zijn de vensters des hemels geopend.

12. En de regen was op de aarde veertig dagen en veèrtig nachten.

13. Op dienzelfden dag is Noach in de ark gegaan, en Sem en Cham en Japheth, de zonen Noachs, en de vrouw van Noach en de drie vrouwen zijner zonen met hem in de ark.

14. Deze, en alle gedierte naar zijnen aard, en alle vee naar zijnen aard, en alle kruipende gedierte dat op de aarde kruipt, naar zijnen aard, en alle gevogelte naar zijnen aard, alle vogel en al het gevleugelde.

15. Derhalve zijn tot Noach in de ark gekomen, twee en twee uit alle vleesch, waarin een geest des levens was.

16. En die er in gingen, zijn er in gegaan mannetje en wijfje van alle vleesch, zooals God hen had bevolen. En de Heere sloot boven hem toe.

17. En de watervloed was veertig dagen op de aarde en de wateren zijn vermenigvuldigd, en hebben de ark opgeheven, zoodat zij oprees van de aarde.

18. En de wateren hadden de overhand, en zijn zeer vermenigvuldigd op de aarde, en de ark dobberde op de oppervlakte der wateren.

19. Derhalve hebben de wateren zich zeer sterk gemaakt op de aarde, en alle hooge bergen, die er waren onder den ganschen hemel bedekt.

20. Vijftien ellen omhoog namen de wateren de overhand zoodat alle bergen bedekt zijn.

Sluiten