Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is gericht geweest. Maar het schijnt ongerijmd, dat Abram naar eigen goeddunken zich een altaar bouwde, terwijl hij geen priester was, noch eene duidelijke opdracht van God daartoe had.

Ik antwoord, dat Mozes door het vervolg dit bezwaar wegneemt, want hij zegt niet maar eenvoudig, dat Abram een altaar voor den Heere heeft opgericht, maar voor den Heere, die hem verschenen was. Het altaar was dus op die openbaring gegrond, en moet daarvan niet worden afgescheiden, want het was daarvan slechts een deel en aanhangsel. Het bijgeloof stelt zich God voor, zooals het gaarne wil, en daar vandaan kent het hem onderscheidene diensten toe, gelijk de Roomschen heden met grooten trots voorgeven God te dienen, als zij met hunne spotachtige vormen aan het beuzelen zijn. Doch Abrams vroomheid wordt geprezen, dat hij dien God, die Zich aan hem had geopenbaard diende door het oprichten van een altaar. Hoewel Mozes verklaart, met welk doel Abram een altaar heeft gebouwd, als hij zegt, dat Abram God daarbij heeft aangeroepen, zoo vlecht hij toch tusschen zijne rede in, dat zulk een dienst aan God heeft behaagd. Want de uitdrukking dat hij God recht heeft aangeroepen is eene lofrede des H. Geestes. Anderen lieten er zichop voorstaan, dat zij God dienden, maar God verwerpt door Abram alleen te prijzen, alle heidensche gebruiken als eene schandelijke ontheiliging Zijns Naams.

8. En hij trok op. Als wij hooren, dat Abram van die plaats is opgebroken, waar hij Gode een altaar had opgericht, moet er bij ons geen twijfel aan zijn, of hij werd door de eene of andere noodzakelijkheid gedrongen. Hij heeft daar lang geen gunstig onthaal gevonden, en daarom bracht hij zijne tent naar elders over. Bijaldien nu Abram het voortdurende omzwerven lijdzaam verdroeg, is onze weelderigheid op geenerlei wijze te verontschuldigen, als wij tegen God zuchten, zoo Hij ons geen rustig verblijf toestaat. Ten minste als Christus voor ons den hemel heeft geopend, en daarheen ons dagelijks openlijk tot Zich noodigt, moet men het niet onbillijk achten, als Hij wil hebben, dat wij bijwoners op de wereld zullen zijn.

Kort samengevat beduidt dus deze plaats, dat Abram iemand geweest is zonder vaste woonplaats, welken titel Paulus geeft aan de Christenen, 1 Cor. 4: 11. In het woord „Bethel" ligt duidelijk eene prolepsis. Want aldus noemt hij die plaats, 18

Sluiten