Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gening te doen verkrijgen. Met nadruk zegt Mozes, dat het plan om eene tweede vrouw te huwen niet van Abram zelf, maar van Saraï afkomstig was, opdat wij zouden weten, dat de vrome man niet door wellust tot dit huwelijk is verlokt, maar dat hij over niets van dien aard dacht, en op aanmaning zijner vrouw daartoe is gekomen. Men vraagt echter of Sarai alleen uit verlangen naar zaad hare dienstmaagd in hare plaats heeft gesteld. Dit schijnt sommigen zoo toe. Doch mij komt het niet geloofwaardig voor, dat de vrome huismoeder met die beloften, die haren echtgenoot zoo dikwijls herhaald waren, onbekend zou geweest zijn. Dit moet zelfs eene uitgemaakte zaak zijn onder alle vromen, dat de moeder van het volk Gods, deelgenoote en bezitster is geweest van dezelfde genade als haren man.

Saraï verlangt dus niet alleen uit drang der natuur, zooals dat gewoonlijk gaat, een nakomeling, doch uit begeerte naar het verkrijgen der zegening, die zij wist, dat van Godswege beloofd was, staat zij uit eigen beweging aan een ander, haar echtelijk bed af. Zij scheidde niet van haren man, maar wijst hem eene andere vrouw aan, om daaruit kinderen te verwekken. Immers, indien zij gelijk ieder ander een nakomeling begeerd had, zou haar eer voor den geest gekomen zijn, dit door aanneming te doen, dan plaats te maken voor eene tweede vrouw. Wij weten immers, hoe groot de jaloerschheid is onder de vrouwen. Door te zien op de belofte, vergeet zij haar recht en denkt slechts aan het voortbrengen van kinderen voor Abram. Een gedenkwaardig voorbeeld, waaruit een niet onbelangrijke vrucht tot ons komt. Want lofwaardig was Saraï's wensch, wat het einddoel betreft, waarop zij aanstuurde. Maar in het gebruik der middelen zondigde zij niet weinig, want zij week uit ongeduld over de kinderloosheid van Gods woord af, om de vrucht van het woord te genieten. Bij het overwegen van hare onvruchtbaarheid en ouderdom, bekruipt haar de wanhoop, zoo Abram niet uit een ander kinderen verwekte. Daarin is reeds iets zondigs. Maar al stond de zaak wanhopig, toch had zij niets mogen aanvangen, dan in overeenstemming met Gods wil en de wettige orde der natuur.

God wilde door eenen heiligen huwelijksband het menschelijk geslacht voortplanten; Saraï schendt de wet des huwelijks, door het huwelijksbed, dat voor twee bestemd was, te verontreinigen. De verontschuldiging, dat zij de bijzit den rang eener

Sluiten