Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

getrokken zwaard gezien door David, toen de pest onder het volk woedde. 2 Sam. 24 vs. 16. Boven heb ik herinnerd, dat de Engelen herhalen, wat zij tot Abraham gezegd hadden aangaande het geroep, opdat zij door de vervloeking dier plaats Lot te meer zouden aanzetten om de vlucht te nemen, en hen door de vrees voor Gods toorn zouden aansporen zijne behoudenis te zoeken.

14. En Lot ging uit. Het geloof van den heiligen Lot blonk voornamelijk daarin uit, dat hij ten slotte verstomde, en zich heeft gebogen voor Gods bedreigingen, en voorts dat hij, midden in het verderf zijnde, toch het beloofde heil aannam. Wat betreft de noodiging tot zijne schoonzonen om mede te gaan, zoo sterk behoort de ijver te zijn van Gods kinderen, dat zij op allerlei manieren de hunnen uit het verderf trachten te rukken. Als Mozes zegt, dat hij scheen te schertsen, dan beteekent dit, dat hij werd geminacht, en dat de vrome grijsaard werd uitgelachen, en dat, wat hij zeide voor een fabel werd gehouden, omdat zij meenden, dat hij, door razernij bevangen, zich zoo maar verbeeldde in gevaar te zijn. Lot scheen hun niet toe met opzet te schertsen of gekomen te zijn om hen te misleiden, maar zij hielden zijne woorden voor fabelachtig, want als eerbied en vreeze Gods ontbreken, zinkt alles, wat over straf van zonden wordt gezegd, als ijdelheid en scherts in het niet. En hieruit zien wij, welk een verderfelijk kwaad de valsche gerustheid is, die het verstand der goddeloozen zoo benevelt, ja betoovert, dat zij meenen, dat God niet meer als rechter in den hemel zit. En zoo worden zij verhard in hun kwaad, totdat zij door eenen plotselingen ondergang worden getroffen, terwijl zij roepen : „Vrede en geen gevaar." Maar hunne hardnekkigheid klimt vooral, als Gods wraak nabij is. Niets is voor goddeloozen meer te duchten dan dat zij door Gods hand worden gedrukt, en toch alle bedreigingen met trotsche spotternij verwerpen of verachtelijk voorbijgaan, totdat de nabijheid van hunnen ondergang hen met geweld wordt opgedrongen. Maar hunne slechtheid moet ons wekken tot de vreeze Gods, opdat wij altoos bekommerd zijn, maar dan vooral als eenig teeken van Gods toorn zich openbaart.

15. En de Engelen drongen Lot. Na Lots geloof en vroomheid te hebben geprezen, toont Mozes aan, dat daaraan ook iets menschelijks heeft gekleefd, omdat de Engelen hem, als hij

Sluiten