Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat de Roomse hen op dezen grond tot de voorbede der dooden de toevlucht nemen, is dwaas. Want gelijk de Heere hier den koning van Gerar niet verwijst naar Noach, of naar iemand anders van de overledene vaderen, maar naar Abraham, die levend en tegenwoordig was, zoo hebben wij ook geen ander voorschrift, dan dat wij door voor elkander te bidden de onderlinge liefde onderhouden zullen.

Bijaldien hij ze niet teruggeeft. Hieruit kunnen wij leeren, waartoe de bedreigingen en de aankondigingen, waarmede God de menschen verschrikt, dienen, n. 1. om hen, die te traag zijn met geweld tot berouw te dringen. In het eerst was kortaf gezegd : „gij zijt dood" ; nu wordt er de voorwaarde aan verbonden : als gij ze niet teruggeeft. Beide woorden hebben echter dezelfde beteekenis, maar in het eerste spreekt God wat scherper, om den zondaar met te grootere vrees in het nauw te dringen. Thans, nadat hij zich heeft onderworpen, drukt God zijn plan duidelijker uit, en laat Hij hem hoop op vergiffenis en behoudenis overig. Zoo wordt de moeilijkheid opgelost, waarin velen verward zitten, als zij zien, dat God niet aanstonds de straffen voltrekt, die Hij heeft aangekondigd, wijl zij meenen, dat dit een teeken is van verandering in plannen, of dat God een ander woord voorgeeft, dan Hij bij zichzelven heeft besloten. De Ninevieten heeft Hij door Jona met den ondergang gedreigd, en daarna gespaard. Nu kunnen onervarenen geen uitweg vinden om eene van beide ongerijmdheden te ontloopen, n. 1. dat God Zijn oordeel heeft ingetrokken, of dat Hij heeft voorgegeven iets te zullen doen, wat Hij niet in den zin had.

Doch als wij dezen grondregel vasthouden, dat in alle bedreigingen de vermaning tot bekeering ligt opgesloten, is de moeilijkheid opgelost. Want al grijpt God in 't eerst de menschen aan alsof er niets meer aan te doen is, en al jaagt Hij hen vrees aan voor den naderenden dood, zoo moeten wij toch Op het einde letten ; want als Hij hen noodigt tot bekeering. volgt daaruit, dat er voor hen hoop op vergiffenis overblijft, als zij zich maar bekeeren.

8. En Abimelech stond vroeg op. Nu verhaalt Mozes hoe krachtig de Godspraak geweest is. Immers, Abimelech, door Gods stem wakker geschud, staat vroeg op, niet zoo zeer, om zelf de hem opgelegde last snel te volvoeren, als wel om de zijnen aan te manen hetzelfde te doen. Dit voorbeeld van zulk

Sluiten