Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene stipte gehoorzaamheid, dat ons in een goddeloos koning wordt getoond, beneemt onze traagheid alle verontschuldiging, als bij ons de bedreigingen Gods zoo weinig uitwerken. De Heere verscheen hem door een droom, maar wijl Hij door Mozes, de Profeten en Apostelen, en ten laatste door Zijn eenig geboren Zoon, dagelijks voor onze ooren spreekt, is het ongerijmd dat zoo vele getuigenissen minder kracht en uitwerking zouden hebben, dan één enkel droomgezicht.

9. En Abimelech riep Abraham. Er zijn er, die meenen, dat de koning van Gerar niet over Abraham heeft geklaagd, maar meer zijn berouw betuigd. Als wij echter de woorden nauwkeurig overwegen, dan is dit eene bekentenis gemengd met een beklag. Schoon hij klaagt, dat Abraham onrechtvaardig had gehandeld, draagt hij toch op hem de schuld niet over, om zichzelven van alle schuld vrij te pleiten. Met recht kon hij een deel der schuld op Abraham terugwerpen, gelijk hij doet, zoo hij slechts tevens zijne eigene zonde bekende. Laten wij dus in het oog houden, dat die koning niet heeft gedaan, wat geveinsden plegen te doen.

Want zoodra zij een voorwendsel gevonden hebben, om anderen te beschuldigen, pleiten zij zichzelven geheel vrij. Dit schijnt hun toe een wettige uitvlucht te zijn, zoo zij anderen in hunne schuld kunnen medeslepen. Schoon nu Abimelech klaagt, dat hij bedrogen is en door onvoorzichtigheid is gevallen, aarzelt hij toch niet, zich intusschen van groote zonde te beschuldigen, als hij zegt: „Het scheelde weinig of door u zou ik mij zei ven en het geheele rijk in eene groote misdaad hebben gewikkeld." Er is dus geen reden om te meenen, dat elk, die beweert, dat hij door een ander tot zonde verleid is, de schuld van zich zou afschuiven. Nu merke men op, dat echtbreuk hier eene groote zonde wordt genoemd, die niet slechts één enkel man, maar het geheele volk als 't ware met misdaad overdekt. Zoo kon Gerars koning niet spreken, indien hij de heiligheid van het huwelijksrecht niet kende.

Maar heden ten dage schamen zich Christenen, tenminste zij, die zich met dien naam sieren, niet, om zoo groote misdaad schertsend te verkleinen, terwijl een goddeloos man er zulk een afkeer van had. Laten wij dus weten, dat Abimelech een ware tolk is geweest van het goddelijk oordeel, dat ellendige menschen door hunne listen tevergeefs trachten te ontduiken.

Sluiten