Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook moet ons terstond dit woord van Paulus in het geheugen komen: „Dwaalt niet, want daardoor komt de toorn Gods over uwe verkeerdheden", 1 Cor. 5 vs. 9; Efeze 5 vs. 6. Dat hij het geheele rijk in de zonde laat deelen, geschiedt niet zonder reden ; want het ongestraft blijven der misdaden bezoedelt eenigermate het geheele land. Nu is het bekend, dat voornamelijk in den persoon des konings de toorn Gods over het geheele lichaam des volks komt. Daarom moet met des te grooteren ijver gebeden worden of God hen, die Hij over ons stelde en met gezag bekleedde, ook met Zijnen Geest wil regeeren, en het land, waarin hij ons eene woonplaats heeft gegeven, van alle bloedschuld en smet wil vrijwaren.

10. Wat hebt gij gezien, dat gij dit deed? Met het stellen dezer vraag zorgt de koning voor de toekomst. Hij bedenkt, dat Abraham zich niet zoo maar anders zal voorgedaan hebben. Aangezien God thans zwaar beleedigd was, zoo vreesde hij, dat Abraham nogmaals in hetzelfde gevaar zou komen. Met deze van bezorgdheid getuigende vraag toont hij, dat hij hem alle moeite wil besparen. Dat hij Abraham de gelegenheid geeft om zich te verdedigen, is een bijzonder blijk van zachtmoedigheid en rechtschapenheid. Immers, wij weten hoe stipt sommigen, die meenen beleedigd te zijn, op hun recht staan; daarom verdient deze gematigdheid des konings jegens eenen vreemden en onbékenden man des te grooteren lof. Laten wij intusschen uit dit voorbeeld leeren, wanneer ons eenig onrecht is aangedaan, zoo met onze broederen te twisten, dat wij hun de gelegenheid geven om zich te kunnen verantwoorden.

11. En Abraham zeide. Er zijn in dit antwoord twee hoofdzaken. Eerst bekent hij, door vrees te zijn geleid tot het bedekt houden van zijn huwelijk. Daarna ontkent hij te hebben gelogen om zich te verontschuldigen. Hoewel Abraham met het volste recht verklaart, dat hij niet uit bedriegelijke oogmerken, noch om iemand te schaden, heeft gezwegen van zijn huwelijk, zoo verdient hij toch berisping, dat hij aan vrees toegaf en zijne vrouw, voor zoover dit aan hem stond, tot ontucht overgaf. Daarom behoeven wij geene moeite te doen, om hem te verontschuldigen; want welk gevaar hem ook bedreigde, hij had beter op zijn post moeten zijn, en de plicht van een echtgenoot moeten vervullen door de eerbaarheid zijner vrouw te beschermen. Bovendien was het een teeken

Sluiten