Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6e. A wil B slechts verwonden, doet dit ook, maar B gaat aan de wond dood (volgens geldende opvatting van onze nog van kracht zijnde strafwet: dolus indirectus); stel, hij wil B zwaar verwonden, maar mocht hij hem dooden, zoo is het hem ook goed; in dit geval zouden wij met dolus eventualis te doen hebben; als hij B óf wil verwonden óf dooden, zoo is dolus alternativus aanwezig.

7e. A wil B en niemand anders dooden, mikt ook op B, maar raakt en doodt, tegen zijne bedoeling, C (poging tot doodslag, eventueel tot moord van B, èn veroorzaking van den dood van C door schuld).

Se. A schiftt als een bezetene in het rond, hij wil ieder dooden ot verwonden dien hij raken kan (dolus generalis).

9e. A wil B dooden en legt op hem aan; B, een hartlijder, ziet dit, krijgt van schrik een hartverlamming en sterft, vóór het schot heeft gelost. Heeft A zich aan doodslag (of moord) schuldig gemaakt? Hoe, indien C, op wien A het dus niet gemunt had, schrikkende van het gevaar om getroffen te worden, de hartverlamming gekregen had ?

10e. A wil B dooden; hij ziet echter C voor B aan, mikt op C en doodt dezen, denkende B vóór zich te hebben. Kan deze dwaling op de qualificatie van het feit en op de strafbaarheid der handeling invloed uitoefenen ? Neen; de dwaling betreft een onverschillig feit: A mikte bepaaldelijk op C en doodt hem ook; hij zag C wel aan voor B en hij hegeerde en dacht ook, B te dooden, maar niettemin heeft hij C opzettelijk van het leven beroofd. Doodslag is opzettelijke levensberooving van een mensch, welk mensch ook. Zulk een geval noemt men „verwisselingsgeval", ter onderscheiding van een geval als sub 7e. bedoeld, dat men afdwalingsgeval noemt (niet te verwarren met dwaling.').

Sluiten