Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI.

Gronden tot uitsluiting der toerekenbaarheid en rechtvaardigingsgronden.

§ 95' Aigemeene Waarin de algemeene vereischten voor een delict bestaan, opmeriingen; wijze zegt ons noch het Swb. I., noch liet Ontw. uitdrukkelijk, uit »an regeling in hei verscliillende bepalingen moet dit door de strafrechtsweten,S%ö./.eninhetgchap worden opgemaakt. Wij hebben dit in het IVe hoofdstuk gedaan, en aldaar gezien, dat elk delict een algemeen objectief, èn een algemeen subjectief element inhoudt: het materieéle feit veroorzaakt door eene mensehelijke gedraging, en de toerekenbaarheid daarvan aan den dader.

Voor die toerekenbaarheid is het, zagen wij verder, noodig dat het schuldverband in den vorm van dolus ol van culpa, worde aangewezen. Ontbreekt dit, zoo kan reeds daarom van eene toerekening der gedraging geen sprake zijn, dus ook niet van een delict.

Maar bovendien is die toerekenbaarheid van eene algemeene voorwaarde afhankelijk, nl. van de toerekeningsvatbaarheid van den dader; deze moet, naar wij weten, in staat zijn, 0111 zich een behoorlijk begrip der algemeene maatschappelijke eischen, een begrip van goed en kwaad te vormen.

Terwijl de vraag, of voor eenig delict dolus dan wel culpa vereischt wordt, uit de omschrijving van dat delict moet worden opgemaakt, dient de strafwetgever de oorzaken die in het algemeen ten aanzien van elk delict de toerekenbaarheid uitsluiten., uitdrukkelijk in het algemeen gedeelte aan te geven. Deze gronden nu bestaan in\ a. jeugdigen leeftijd; b. abnortnalen geestestoestand.

Sluiten