Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Swb. I. drukt dit uit, door vooreerst in art. 33 te verklaren, dat er geen sprake van delict kan zijn, indièrFde beklaagde tijdens het plegen van het feit in staat van krankzinnigheid verkeerde; verder, door in artt. 35 en 36 te bepalen, dat eene veroordeeling van een persoon beneden 3fen zestienjarigen ouderdom afhankelijk is van het bewijs der omstandigheid, dat hij met oordeel des onderscheids gehandeld heeft. Hoe wij deze artikelen precies hebben te verstaan, zullen wij beneden nader zien.

Uit § 62 weten wij verder, dat eene gedraging, die rechtmatig is, nooit een delict kan vormen; een rechtmatig delict is onzin. Bij elk delict zou men zich dus de restrictie kunnen denken: „tenzij de gedraging om eene of andere reden als rechtmatig moet worden aangemerkt." De moeilijkheid schuilt echter in de vraag, in welke gevallen een overigens als delict gequalificeerd feit als rechtmatig te beschouwen is of althans als niet-wederrechtelijk. ') Vandaar, dat de wetgever de omstandigheden die aan een delict in het algemeen zijn wederrechtelijk karakter ontnemen, uitdrukkelijk heeft aan te wijzen; zij vormen, zooals wij weten, de rechtvaardigingsgronden.

Het Swb. I. behandelt deze uitsluitend in verband met bijzondere delicten of bijzondere soorten van delicten, behalve de overmacht. Intusschen zijn eenige eronder, zooals wettelijk voorschrift en ambtelijk bevel, van zóó algemeenen aard, dat zij zonder bezwaar t. a. v. alle delicten toepassing mogen vinden.

De gronden tot uitsluiting der toerekenbaarheid en de rechtvaardigingsgronden ontnemen beide aan eenige gedraging het karakter van delict. Het spreekt dus van zelf, dat bij de aanwezigheid van een dezer gronden geen straf wordt uitgesproken. Maar het is verkeerd, om ze daarom samen te voegen onder het meër algemeene begrip: strafuitsluitingsgrond. Een strafuitsluitingsgrond toch laat het feit als delict bestaan, maakt alleen, dat de delinquent niet gestraft wordt (zie § 62). Dat men dit goed voor oogen houde, is niet slechts van theoretisch, maar ook van practisch belang; zoo bv. kan van geen mede-

') Wat niet-wederrechtelijk is, behoeft nog' niet rechtmatig te zijn; er bestaan toestanden, waarbij het Recht zich machteloos neerlegt: waartegen het zich dus niet uitdrukkelijk verzet, zonder ze echter als rechtmatig te erkennen.

Sluiten