Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Indien een persoon, tegen wien, ter zake van misdrijf of overtreding eene strafvervolging is ingesteld, vermoed wordt krankzinnig te zijn dan wel krankzinnigheid voor te wenden, en daaromtrent geen voldoende zekerheid lcan worden verkregen, dan is de president der rechtbank, bij welke de vervolging aanhangig is, bevoegd den beklaagde voor ten hoogste zes maanden ter observatie in een krankzinnigengesticht te doen Opnemen.

Deze termijn kan, op een gemotiveerde verklaring van den geneeskundige van het gesticht, eenmaal met ten hoogste zes maanden worden verlengd. De beklaagde of verdachte blijft in het gesticht totdat omtrent de verlenging is beslist, (bijgevoegd bij Stb: 1905—358.).

De opneming van den beklaagde in een gesticht geschiedt zonder nadere formaliteiten, alleen op grond van de beschikking* van den president der rechtbank en zoo spoedig mogelijk.

De kosten van overbrenging naar het gesticht en van verpleging gedurende den tijd der observatie komen voor rekening van den lande, tenzij dit door of voor den beklaagde anders verlangd wordt.

Bij de opneming doet de president der rechtbank aan den geneeskundige van het gesticht alle bescheiden en inlichtingen toekomen, welke dienen kunnen om dezen bij zijn oordeel over het geval voor te lichten.

De geneeskundige van het gesticht zendt zoo spoedig mogelijk zijn met redenen omkleed rapport over de al of niet krankzinnigheid van den beklaagde aan den president der rechtbank.

Zoo het rapport de verklaring inhoudt, dat de opgenomene aan krankzinnigheid lijdende is, wordt door het openbaar ministerie de definitieve plaatsing van den beklaagde in een krankzinnigengesticht gerequireerd, overeenkomstig de voorschriften der artt. 19 en 20 of der artt. 25 en 26 van dit reglement. Houdt het rapport de verklaring in, dat de opgenomene niet krankzinnig is, dan geeft de president der hiervoren bedoelde rechtbank last tot onmiddellijk ontslag uit het gesticht met bevel dat de beklaagde weder ter beschikking der justitie worde gesteld".

Dit artikel laat, zooals we zien, de vraag in het midden, of beklaagde (verdachte) tijdens het plegen van het feit reeds krankzinnig was — m. a w. of het feit hem om die reden al dan niet mag worden toegerekend. Wordt zijne uiet-toerekeningsvatbaarheid tijdens het plegen echter door den landraad (president) vermoed, zoo zal deze wel tegelijkertijd een onderzoek ook omtrent deze vraag bevelen; bij bevestigend resultaat zal dan onmiddellijk vrijspraak kunnen volgen (of zal de president, indien de zaak nog niet naar de terechtzitting is verwezen, kunnen beschikken, dat tot verdere vervolging geen termen aanwezig zijn; zie a. 240e, a/. 2, I. li.). Blijkt de ontoerekenbaarheid van het feit echter niet, (m. a. w. is de

I

Sluiten