Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behouden. Bij de beoordeeling, of men bij de verdediging de grenzen der noodzakelijkheid al dan niet heelt overschreden, dient de rechter met dergelijke omstandigheden rekening te houden.

Dit heeft ook de wetgever gedaan, door in twee concrete gevallen het recht van zelfverweer belangrijk buiten de aan noodweer in het algemeen gestelde grenzen uit te breiden. Art. 247 Swb. I. bepaalt nl., dat onder de gevallen van „nooddwang der verdediging" de twee volgende zijn begrepen: le. „zoo de doodslag wordt gepleegd, de kwetsuren of slagen worden toegebracht des nachts bij het afweren van inklimming of van braak der sluitingen, muren of ingangen van een bewoond huis, of een bewoond gedeelte daarvan, of de aanhoorigheid van een dezer; 2e. „zoo het feit plaats heeft bij de verdediging tegen daders van diefstal of plundering, met geweld, gepleegd."

Men mag deze twee gevallen niet verder uitbreiden; bevindt de inbreker zich dus reeds in het huis en is hij aldaar niet bezig in eene bewoonde kamer in te breken, zoo mag men hem niet maar ongestraft dooden of verwonden, tenzij zulks door zelfverdediging geboden werd, zoodat men zich op de gewone noodweer van a. 246 kan beroepen. Indien het in art. 247 sub le bedoelde geval zich overdag in plaats van 's nachts voordoet, is de doodslag of de mishandeling volgens a. 240 Swb. I. slechts verschoonbaar.

>) De gecursiveerde woorden duiden verschillende verzwarende omstandigheden aan van het delict diefstal. Wat onder nacht verstaan wordt, zegt het Swb. 1. niet; de jurisprudentie verstaat er onder: den tijd tusschen zonsondergang en zonsopgang (verg. a. 87 Ontw.). De beteekenis van braak en inklimming vindt men in artt. 309 tjm 313 Swb. I. Men lette op de onderscheiding van buiten- en binnenbraak en op het 2e lid van a. 313, waar ondergraving uitdrukkelijk in het begrip inklimming wordt opgenomen. Een bewoond huis is elk gebouw, bestemd tot bewoning (Hetzij paleis, hetzij kamponghutje), zonder dat het bewoond behoeft te zijn. Onder aanhoorigheid van een bewoond huis moet alles worden verstaan, wat zich met een „bewoond huis" binnen eenzelfde van de buitenwereld afgesloten ruimte bevindt (zie a. 306 Swb. /.). Dat een bewoond gedeelte van een bewoond, huis en zelfs eene aanhoorigheid van. zoo'n gedeelte apart worden vermeld, heett ten doel, om te kennen te geven, dat doodslag of mishandeling ook gerechtvaardigd is in geval iemand, die zich reeds in huis bevindt, door braak in eene bewoonde kamer tracht binnen te dringen (een bepaald geval van binnenbraak). — Het doel van den inbreker behoeft niet bepaald diefstal te zijn geweest.

Sluiten