Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VIII.

Daderschap en deelneming. — Begunstiging.

§l27.Aigemeene De leer der daderschap onderzoekt, wie als de dader van ^pmerking Da- eenig delict is aan te merken. Bij deelneming hebben wij steeds erschaP- te doen met verschillende personen, die tot hetzelfde delict medewerken. Aangezien 'die verschillende personen niet altijd op dezelfde wijze en in dezelfde mate aan zoo'n delict deelnemen en daarom hunne verantwoordelijkheid voor dat delict niet dezelfde kan zijn, is het noodig om de verschillende soorten van deelneming aan een apart onderzoek te onderwerpen; dit vormt het leerstuk der deelneming.

Dader is hij die de daad pleegt. In de eerste plaats is dus hij dader, die èn innerlijk, èn uiterlijk het verboden gevolg teweeg brengt; bij wien zoowel de schuld (dolus of' culpa), als de uiterlijk waarneembare gedraging te zoeken is. Deze dader pleegt het delict zoowel intellectueel, als physiek.

Om als dader te worden aangemerkt, is het evenwel niet noodig, dat de schuldige, d. w. z., hij, bij wien het opzet of de culpa te zoeken is, tevens door eigen handeling het gevolg hebbe veroorzaakt; het is nl. mogelijk, dat hij daartoe gebruik heeft gemaakt van eene andere persoon. Bijv. de dader heeft zijn kind erop afgericht, om verschillende uitgestalde voorwerpen te stelen. Zelfs kan hij door een volwassen en toerekeningsvatbaar persoon eenig delict doen plegen, zonder dat die persoon zich van eenig delict bewust is; bv. de dader laat wederrechtelijk een grenspagger zoodanig verzetten, dat zijn land daardoor ten nadeele' zijns buurmans wordt vergroot; de koelies door

k

Sluiten