Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reiding, hetzij bij de volvoering van het delict, en in het laatste geval hetzij om het delict gemakkelijk te maken, hetzij om het te voltooien (a. 28, 3e.);

2C zij, die in wetenschappelijken zin als uitlokker te beschouwen zijn, en wel:

a. zij, die door gaven, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, listen of schuldige kunstenarijen, een ander tot het plegen van eenig delict aansporen; dus: öf door belooning óf door psycliischen drang, öf door misleiding (a. 28, le);

b. zij, die eene volksmenigte in het openbaar tot eenig delict opruien, hetzij door aanspraken, hetzij door aangeplakte, verkochte of verspreide ongedrukte geschriften (a. 28, 4e). ')

De uitlokking wordt derhalve als medeplichtigheid beschouwd en strafbaar gesteld alleen in bovengenoemde gevallen; wordt eenig delict uitgelokt op andere wijze, zoo is deze uitlokking niet strafbaar.

§ 136. Mede- De vraag doet zich thans op, of medeplichtigheid en uitlok-

tl"ctltigheid aan 1 ''"yirig tot de- ■ : %

> en po- ( 'JOlnfrt

dng ook strafbaar zijn, indien het delict waaraan zij accessoir rijn, niet voltooid wordt, doch wel zoodanig gevorderd is, dat le dader wegens poging tot dat delict gestraft kan worden,

Plichtuj/ieiii m' a' w' °* me(ieplichtigheid iUlll> en uitlokking tot poging tot eenig delict al dan niet bestaanbaar zijn.

Er zijn juristen, die deze vraag ontkennend beantwoorden; zij zeggen: „medeplichtigheid aan, en uitlokking tot een delict zijn strafbaar; poging tot een delict vormt geen delict; dus is medeplichtigheid aan (uitlokking tot) poging ook niet strafbaar".

Men vergeet hierbij, dat de medeplichtige of uitlokker niet heeft willen helpen of uitlokken, om eenig delict. te pogen, maar om het delict te voltooien. Zoowel de dader als de medeplichtige of uitlokker hebben het opzet gericht gehad op het voltooide delict.

Bedenken wij nu verder, dat medeplichtigheid de beteekenis heeft van medeverantwoordelijkheid, en dat ons strafwetboek den medeplichtige even verantwoordelijk stelt voor het delict als den dader, zoo is er geen enkele reden te bedenken, waarom de dader wel en de medeplichtige (uitlokker) niet gestraft zou worden, in geval door toevallige omstandigheden het delict ') Vergelijk a. 22 van het Drukpersreglement (Sbl. 1856 no. 74).

Sluiten