Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet voltooid werd. M. i. is derhalve de medeplichtige (uitlokker) wel degelijk mede-verantwoordelijk voor de poging tot het beoogde delict. T. a. v. opruiing is zulks in het 2e lid van a. 284e uitdrukkelijk bepaald.

Van medeplichtigheid tot poging zou eigenlijk alleen gesproken kunnen worden, indien men geholpen had om iepogen en uitsluitend om te pogen, m. a. w. indien van begin af aan het opzet niet verder had gereikt dan tot de poging; aldus ook zou van uitlokking tot poging sprake kunnen zijn. Slechts in dezen zin dan ook is medeplichtigheid aan of uitlokking tot poging niet strafbaar te achten.

Eene andere vraag is het, of poging tot medeplichtigheid als straibaar moet worden beschouwd. Deze vraag nu moet ontkennend beantwoord worden, aangezien slechts poging tot eenig delict straibaar is, en medeplichtigheid of uitlokking geen delict vormen. Wanneer dus de opruiing geen gevolg heeft gehad, zoo zou zij, als poging tot uitlokking, niet strafbaar zijn; het Stwb. I. heeft haar echter ook in dat geval uitdrukkelijk strafbaar gesteld, maar kon zulks dan ook niet anders doen, dan door de opruiïngshandeling tot een zelfstandig delict te maken. (a. 284e, 2e lid).

§ 137. Be- Als medeplichtigheid worden verder in de drie volgende artt. van

gunstiging volgens dezen titel {artt. 29/31) twee verschillende gevallen van begunsti-

Stwb. I. ging behandeld; bovendien echter kent het Stwb. I. nog eenige

Huisvesting van an(jere gevallen van begunstiging welke (zooals dit dan ook boosdoeners en

heling behoort) tot zelfstandige delicten zijn gevormd, dus niet als mede¬

plichtigheid worden beschouwd. Deze gevallen, waaronder de in artt: 31a en 31b bedoelde, worden in § 151 en v. behandeld.

De twee gevallen van begunstiging, die als eene soort van medeplichtigheid worden beschouwd, welker strafbaarheid zich dus richt naar die van het daaraan voorafgaand delict, zijn de volgende:

le het bij voortduring verschaffen van huisvesting, schuil- ot vergaderplaatsen aan personen, waarvan men weet, dat zij zich schuldig plegen te maken aan rooverijen of gewelddadigheden tegen de veiligheid van Ned. Indië, de openbare rust, de personen ot de eigendommen («, 29);

2e, het helen {art. 30).

Sluiten