Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ad 1""'. Hierbij wordt vereischt, dat men de gewoonte hebbe, om huisvesting, schuil- of vergaderplaatsen te verleenen aan personen, van wie men weet, dat zij in het algemeen zich schuldig plegen te maken aan de genoemde misdrijven. Zoo ooit, dan had het hierbedoelde feit een zelfstandig delict behooren te vormen. Immers, het is niet gemakkelijk, thans een antwoord te geven op de vraag, aan welk delict of welke delicten de handeling, in art. 29 omschreven, accessoir moet worden beschouwd, aangezien zij medeplichtigheid of begunstiging vormt van delicten, die slechts in zeer algemeene termen zijn aangeduid, terwijl zulks bovendien bij voortduring moet plaats hebben. Stel bv. dat A er eene woning op na houdt, waarin hij desbewust bij voortduring huisvesting verleent aan boosdoeners. Van die boosdoeners wordt B veroordeeld wegens roof, C wegens mishandeling, D wegens doodslag, E wegens brandstichting; A zou dan als medeplichtige van al deze lieden beschouwd moeten worden, en zich door zijne gedraging aan dezelfde straffen als zij blootstellen! Hierbij wordt verder niet gevraagd, of A al dan niet van die gepleegde euveldaden op de hoogte was, daar hij slechts kennis heeft te dragen van het „misdadig gedrag'' zijner gasten. Ook blijkt niet uit het artikel, of hij slechts medeverantwoordelijk wordt gesteld voor de delicten, die door zijne logeergasten gedurende den tijd der huisvesting gepleegd zijn, of ook voor de tevoren en daarna gepleegde. Het art. is zeer onduidelijk en kan tot vele onbillijkheden leiden.

Het bieden van huisvesting enz. aan z.g.n. politieke benden vormt volgens a. 63 Swh. I. een afzonderlijk delict, terwijl ook andere artt. soortgelijke delicten behelzen. Hierbij wordt de begunstigingshandeling zeer terecht van het delict des begunstigden afgescheiden en zelf tot delict (delictum sui generis) gevormd, terwijl het vereischte, dat zij hij voortduring geschiede, niet is opgenomen (verg. § 152).

Ad 2"m, de heling. Daaronder verstaat men het in ontvangst nemen van zaken, waarvan men weet, dat zij door eenig delict verkregen zijn, met het oogmerlt om die zaken aan den rechthebbende of aan de opsporingen der politie te onttrekken. Eenig ander oogmerk, bv. om zich te bevoorcleelen, is hierbij niet

Sluiten