Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bovenbeschreven handelingen vormen zelfstandige delicten, daar zij op zich zelf met straf bedreigd zijn. Tc elfder ure hebben zij evenwel in het algemeen gedeelte onder „medeplichtigheid" eene plaats gevonden, waardoor zij, volgens de gangbare opvatting, tevens als medeplichtigheid aan het delict, waardoor de in te lossen goederen verkregen zijn, gequalificeerd dienen te worden.

Hierdoor wordt aan deze delicten eene tweeslachtige natuur gegeven, die ze eenig in hun soort doen zijn. ')

§ 152. Begun- In het bijzonder gedeelte van het Swb. /. vinden wij nog de j^'igsgevaiienin volgende gevallen van begunstiging:

«el ^7^' «• Vooreerst de begunstiging, gevormd door het verbergen of doen verbergen van misdadigers, t. w.: a. 180, het desbewust verbergen van misdadigers, die zich aan een delict hebben schuldig gemaakt, waarop de doodstraf, kruiwagenstrat (eene reeds afgeschafte militaire straf), tuchthuisstraf of dwangarbeid i/k is gesteld; 2)

a. 45: het desbewust verbergen van deserteurs; a. 49: van vijandige verspieders (verg. a. 7 Sbl. 1904 uo. 259 jo. Sbl. 1905 no. 26; zie noot op blz. 207); ook artt. 63 en 200 kunnen eenigszins hieronder worden gebracht.

b. Verder vindt men in a. 274 een begunstigingsgeval, bestaande in het helen van een lijk van iemand, die omgebracht of tengevolge van mishandeling gestorven is. — Art. 45 heeft eene verdere strekking dan sub a aangegeven: elke begunstiging van een deserteur valt daaronder. — Begunstiging kan, maar behoelt niet per se, te vormen, het delict van a. 107, 2c lid.

c. Aan begunstiging verwant zijn nog die gevallen, waarbij het opzettelijk nalaten van het doen van aangifte van eenig misdrijf strafbaar is gesteld. Hiertoe behooren: art. 67 Swb. I. (verg. Sbl. '89 no. 213); a. 10 Sbl. 1904 no. ■259 jo. Sbl. 1905 no. 26 (zie noot blz. 207); a. 91 Swb. I.; a. 3 no. 4 Pol. 1. In het Ontw. vindt men deze gevallen in artt. 1371139.

Het Ontw. lieeft deze aangelegenheid op veel eenvoudiger wijze bij ééne strafbepaling geregeld: a. 433, 3e (zie § 153).

2) Wanneer de begunstigde echtgenoot (zelfs gescheiden) is van den begunstiger, of hem in de rechte linie onbepaald, in de zijlinie tot den 2en graad ingesloten in bloed-of aanverwantschap bestaat, zoo vormt deze betrekking tusschen begunstigde en begunstiger een specialen rechtvaardigingsgrond (zie § 115, blz. 169).

Sluiten