Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 153. De be- Het Ontw. behandelt de begunstiging in titel XXXI van gunstiging in het het IIe Boek, artt. 433 v.v. Wij hebben reeds opgemerkt, dat Ontw. de begunstigingsdelicten van het Ontw. feitelijk nier, als zoodanig kunnen worden aangemerkt. De begunstiging moet nl. tot oogmerk hebben: het helpen van den dader na de daad. Dit oogmerk nu vormt bij geen der begunstigingsge vallen van het Ontw. een element; daarentegen vinden wij wel het oogmerk om zich zeiven of een ander te bevoordeelen, hetwelk met begunstiging niets te maken heeft, als element van heling opgenomen.

Welke delicten nu vat de wetgever onder „begunstiging" samen? Het zijn de volgende:

I. De heling, d. i. volgens het Ontw.: liet opzettelijk eenig door een misdrijf verkregen voorwerp koopen, inruilen, in pand nemen, als geschenk aannemen, of uit winstbejag verbergen;

II. het opzettelijk uit de opbrengst van een door misdrijf verkregen voorwerp voordeel trekken;

IIT. het opzettelijk vorderen of ontvangen van losgeld, voor de terugbezorging of de aamwijzing van de ligplaats van een door misdrijf verkregen voorwerp, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen (het wang teboesan-delict).

IV. Art. 434 kent verder de lichte begunstiging, bedreigd met belangrijk lichtere straf, indien een der drie bovengemelde soorten van begunstiging betrekking heeft op een voorwerp, verkregen door lichte diefstal, lichte verduistering ot licht bedrog (artt. 317, 331, 336 Ontw.). Hierbij wordt vergeten, dat het Ontw. de begunstiging niet meer als accessoir beschouwt, maar haar geheel afgescheiden heeft van het delict des begunstigden. (Verg. noot bij § 160).

V. Als he geval wordt onder begunstiging gebracht: het maken tot eene gewoonte van heling of wang-teboesan-feiten. Men lette erop, dat het verbergen thans niet „uit winstbejag" behoeft te geschieden, (a. 435).

VI. De gevallen van artt. 436—438 ten slotte zullen in § 158 behandeld worden, (zie blzz. 224 v.).

Geen dér behandelde gevallen vormen feitelijk begunstiging. De eigenlijk gezegde begunstiging vinden wij in a. 189 Ontw., alwaar zij als „misdrijf tegen het openbaar gezag" wordt behandeld. In dat art. wordt nl. met straf bedreigd:

Sluiten