Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze vrijheid van drukpers wordt in Indië door het R.R. niet gewaarborgd; volgens a. 110 ER. dient het regeeringstoezicht op de drukpers dooi" eene alg. verordening te worden geregeld; alleen wordt den lageren wetgever op het hart gedrukt, dat aan de drukpers geene noodeloóze belemmeringen in den weg worden gelegd. Deze regeling is in 1856 tot stand gekomen en in Sbl. 18Ö6 no. 74 gepubliceerd. Verscheidene belemmerende bepalingen werden daarin voor drukkers en uitgevers opgenomen, o. a. de verplichting, om vóór de uitgifte van eenig drukwerk aan verschillende autoriteiten een exemplaar ervan aan te bieden. Al deze belemmerende bepalingen zijn echter bij Sbl. 1906 no. 270 opgeheven, zoodat men thans ook hier drukpersvrijheid geniet: elk preventief toezicht van regeeringswege is nl. onmogelijk gemaakt, slechts na de verschijning van eenig drukwerk moet daarvan een exemplaar aan het hoofd van plaatselijk bestuur worden aangeboden (a. 13 Drukpregl.).

Het drukpersreglement houdt verder eene regeling der strafrechtelijke verantwoordelijkheid in, welke deels van algemeenen, deels van bijzonderen aard is; deze regeling is bij art. 6 Ov. Swb. in stand gehouden, en geldt ook thans nog, ofschoon zij als geheel verouderd te beschouwen is.

In het algemeen bepaalt art. 21, dat op elk delict, door een te koop of ten toon gesteld, verkocht of verspreid drukwerk gepleegd, dezelfde straf gesteld wordt als daarop bij liet in Ned.-Indië geldende strafrecht ') gesteld is; de rechter kan zelfs de straf met één derde boven het maximum verhoogen. Naast deze algemeene bepaling behelscht het reglement evenwel nog verschillende speciale delicten, de drukpersdelicten in de ware beteekenis des woords; bovendien nog eenige bepalingen betreffende opzetting (a. 22), recidive (a. 30), verjaring (a. 32), waarvan wij eerstgenoemde reeds op blz. 212 ontmoetten, de twee laatstgenoemde bij de betrekkelijke leerstukken nog zullen tegenkomen. — Verder zij hier gewezen op artt. 14, 33 en 34, houdende begripsbepalingen van resp. ,,tijdschriften", „drukwerken", en „verspreiding", en op art. 31, hetwelk den Raad

') Dat deze uitdrukking niet zoodanig- mag worden opgevat, alsof daarmede slechts liet in 1860 geldende strafrecht zou zijn bedoeld, is m. i. aan geen redelijken twijfel onderhevig. Zie'daarentegen mr. De Gelder, II. blz. 117 v.

Sluiten