Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan, bij herhaling, zelfs onmiddellijk worden ten uitvoer gelegd, terwijl zij vervalt, indien de veroordeelde binnen zekeren termijn zich goed heeft gedragen. Op die wijze stelt men zich voor, den misdadiger eerder te zullen verbeteren dan door onmiddellijke uitvoering der straf; immers, de steeds dreigende strafvoltrekking zal voor hem een prikkel zijn, zich goed te gedragen.

Eenigszins hierop gelijkend is de voorwaardelijke invrijheidstelling, welke het Ned. Swb. in beperkte mate kent (zie artt. 15 en v. Ned. Sid>.)\ wanneer een gestrafte zich gedurende een bepaalden tijd goed gedragen heeft, kan hij voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld vóór het verstrijken van zijn straftijd; zoodra hij zich evenwel misdraagt, wordt hij onmiddellijk weer gevangen genomen om de rest van zijn straftijd uit te zitten.

Anderen weer keuren het af, dat de duur van de straf dooiden rechter wordt bepaald. Want, zoo redeneeren zij, indien de straf werkelijk tot verbetering van den gestrafte moet strekken, zoo is liet onraadzaam, haren duur te bepalen vóór men het resultaat ervan heeft gezien; onmogelijk is het immers, vooraf te bepalen, hoeveel tijd de verbetering van den misdadiger zal vereischen. Zij willen dus, dat de rechter slechts liet „schuldig" uitspreke en de strafsoort bepale, maar dat de duur van de straf afhankelijk zij van het gedrag van den gestrafte in de gevangenis, zoodat de directeur der gevangenis zal hebben uit te maken, wanneer een gevangene zijne vrijheid kan herkrijgen.

Wij kunnen hierbij natuurlijk niet lang stilstaan; het doel was slechts, om althans eenig begrip te doen verkrijgen van enkele nieuwere denkbeelden op dit gebied. Zooals wij in § 99 in het kort gezien hebben, heeft men in Nederland deze denkbeelden reeds tot zekere hoogte in toepassing gebracht voor jeugdige misdadigers.

Sluiten