Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8 188- Regelin] ,an den re'êeler samenloop 'olgens Out-. Werp.

verband wordt nl. gevormd door deze drie omstandigheden samen: gelijksoortigheid der handelingen, éénheid van besluit, niet te groote tijdsruimte tusschen d j verschillende handelingen. Ongelijksoortige handelingen vormen derhalve geene voortgezette handeling; maar op dezen regel heeft het Ontw. uitdrukkelijk eene uitzondering gemaakt voor die gevallen, waarbij de delicten van valschheid, valsche munt en muntschennis zouden concurreeren met het gebruikmaken der voorwerpen, ten opzichte waarvan die delicten gepleegd werden. In deze gevallen heeft men volgens hei Ontw. dus niet te doen met reëelen samenloop, maar met eene voortgezette handeling. !)

; C. Iieëele samenloop. Hierbij neemt het Ontw., zooals wij reeds 1 weten, in het algemeen het stelsel der gematigde cumulatie aan; en wel met de navolgende onderscheidingen:

/. Samenloop van misdrijven onderling, waarop:

A. gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld; — er wordt alsdan slechts ééne straf uitgesproken, welker maximum is het vereenigd bedrag der op de verschillende feiten gestelde maxima, maar ■niet hooger dan '/3 boven het zwaarste maximum (a. 54 Ontw).

B. ongelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld; — alsdan wordt wegens elk delict afzonderlijk eene straf opgelegd; de gezamenlijke duur van deze straffen mag evenwel de „langstdurende" (lees: het maximum der langstdurende) met niet meer dan één derde overtreffen. Geldboeten worden daarbij berekend naaiden duur van het maximum der subsidiaire straf (verg. blzz. 77 en v.); a. 55 Ontw. — Bij veroordeeling tot de doodstraf of tot levenslange arbeidstraf kunnen geene andere straffen worden opgelegd dan: ontzetting van bepaalde rechten, verbeurdverklaring van reeds in beslag genomen goederen (anders toch zou- de verbeurdverklaring, evenals de geldboete, in eene

') Omtrent de wijze, waarop het overeenkomstig artikel van het Nederland,sche Swb. moet worden opgevat, zijn de juristen in Nederland het niet eens. Velen zien nl. in het onderhavig art. niet de regeling van het voortgezet delict, doch slechts een uitzonderingsgeval op de volgende artt., omdat de wet de mogelijkheid van verschillende strafbepalingen aanneem tj wat niet strookt met den aard van het voortgezet delict.— Zeker is, dat het artikel duidelijker gesteld had kunnen zijn.

1

Sluiten