Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijdelijke arbeidstraf moeten worden omgezet, wat i. c. is uitgesloten), en openbaarmaking van het vonnis (a. 56 Ontw.) |).

Ten aanzien dezer beide straffen geldt derhalve, wat hoofdstraffen betreft, het absorptiestelsel; iets wat slechts schijnbaar van zelfsprekend is, daar de mogelijkheid van gratie verleening bestaat.

Bij samenloop zoowel van gelijk-, als van ongelijksoortige hoofdstraffen, gelden volgens a. 57 Ontw. de volgende speciale bepalingen t. a. v. de bijkomende straffen:

je. de straffen van ontzetting van dezelfde rechten worden opgelost in ééne straf, die ten minste 2, ten hoogste 5 jaar langer duurt dan de opgelegde hoofdstraf ot hoofdstraften, of, bij oplegging enkel van geldboete, van 2 tot 5 jaar duurt (zuivere absorptie; verg. a. 26.)

2e. de straffen van ontzetting van verschillende rechten worden voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermindering opgelegd (zuivere cumulatie; maar natuurlijk niet wat den tijd betreft, want de ontzetting van het eene recht treedt gelijktijdig in werking met die van het andere); 3e. de straffen van verbeurdverklaring alsmede van de subsidiaire straf bij niet-uitlevering der verbeurdverklaarde goederen,

') Het Ontwerp zegt niet, of de samenloop van delicten, waarop alternatief verschillende straffen zijn gesteld, te brengen is onder art. 54 ot onder art. 55. Wanneer bv. delict a, waarop arbeidstraf alleen, of alternatief arbeidstraf en geldboete zijn gesteld, concurreert met delict b, hetwelk alternatief met arbeidstraf en geldboete is bedreigd, moeten deze delicten alsdan g'eacht worden met gelijksoortige, dan wel met ongelijksoortige straften te zijn bedreigd? De juristen in Nederland zijn het hieromtrent niet met elkaar eens. Sommigen laten het afhangen van hetgeen de rechter wenscht te doen; wil deze wegens beide delicten dezelfde soort van straf opleggen, zoo moet het eerste art. worden toegepast, anders het laatste. Andere juristen keuren deze opvatting af, aangezien de toepassing van het eene of het andere art. niet afhankelijk wordt gesteld van de door den rechter opgelegde, maar van de door de ivet, bedreigde straf. Deze zienswijze is m. i. de juiste; en dan moet men hierbij aannemen, dat in zulk een geval art. 55 toegepast dient te worden; immers worden inderdaad ongelijksoortige straffen gesteld, al geschiedt zulks alternatief, zoodat in een concreet geval gelijksoortige straffen kunnen worden opgelegd. - Deze aangelegenheid vereischt in het stelsel van het Ontw. vooral regeling, omdat art. 55 (op ééne uitzondering na) slechts toepassing zal kunnen vinden in liierbedoelde gevallen. Van de drie in a. 10 genoemde hoofdstraffen toch, komen hierbij slechts arbeidstraf en geldboete in aanmerking, terwijl het Ontw. slechts één misdrijf kent, waarop alleen geldboete als strat is gesteld, nl. dat van a. 358. Men bedenke nl., dat het Ned. Swb. en het nieuwe Swb. Eur. twee soorten van vrijheidstraf kennen, die in het Ontw. tot ééne soort straf, lil. arbeidstraf, zijn samengesmolten. (Bij toepassing van art. 31 Ontw. kan de vraag rijzen, of de aldaar bedoelde straffen van hechtenis en gevangenisstraf als ongelijksoortig, dan wel krachtens art. 58 als gelijksoortig moeten worden beschouwd.)

/

Sluiten