Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

Het Licht.

„En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht."

En God zeide! — Ja zeide; zou God soms niet kunnen spreken? Heeft Hij niet zoowel het licht als het geluid geschapen? Hoort Hem niet toe alle toon en alle klank; zullen wij Hem tot een stommen God maken? Zou Hij, die den mond schiep, niet kunnen spreken? „Wie heeft den mensch den mond gemaakt? Of wie heeft den stomme, of doove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben ik het niet, de Heere?" (Ex. 4 : 11) — In God, in Zijn taal, ligt onze taal verborgen. Hebben wij zelf ons soms de taal gegeven? Hebben wij haar gevormd? Dan zouden wij haar nu ook verder vormen en meer volkomen kunnen maken; dan moesten wij nieuw medeklinkers en klinkers vormen en naast de zelfstandige naamwoorden, en werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, nieuwe rededeelen, bij de drie bestaande trappen van vergelijking nog verdere uitvinden.

Indien God niet sprak, indien Hij niet was de Logos (het woord) dan zouden wij eeuwig stom blijven, wij zouden niets weten van het woord, ja wij zouden niet eens weten, dat het geluid geestelijke dingen mededeelen, ja opwekken kan. „De mensch heeft niets, tenzij het hem van boven gegeven zij .

God zeide: God spreekt; Hij spreekt heden nog;

Sluiten