Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV.

De Lucht.

En God zeide: „Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tusschen wateren en wateren! En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tusschen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tusschen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was alzoo. En God noemde het uitspansel? hemel. Toen was het a<iond geweest, en het ivas morgen geweest, de tweede dag." (Gen. 1 : 6-8).

Ook hier een gebeurtenis van gewicht bij de schepping, waarvan alleen de bijbelsche kosmogonie gewag maakt. De aarde was, zooals wij gezien hebben, door een dicht nevelkleed of atmosfeer omgeven. Nu neemt ook de wetenschap aan, dat deze atmosfeer in den beginne, omdat zij zeer dicht was, ook zeer hoog moest zijn en voor alle licht ontoegankelijk, om het even of het voortsproot uit de buitenste laag van een lichtend omhulsel, of uit een lichtsfeer, of uit een wereldnevel, waardoor de aarde heenging. Duisternis was op den afgrond. Maar de dichtste stoffen, waaruit dit nevelkleed bestond, zoo luidt ook de uitspraak van de wetenschap, moesten bij de voortgaande afkoeling der aardoppervlakte neerslaan, terwijl de chemie ons de volgorde van dien neerslag doet kennen, namelijk naar de verdampingstemperatuur. Nog

Sluiten