Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeester, door den vloed achtergelaten op het heete zand, waar zij versmachtte, teruggeworpen in het kristalheldere water.

Ik geloof aan de groote solidariteit van alle wezens, ik geloof daaraan als aan het fundament en de afspiegeling van de groote gemeenschap der heiligen, die er eenmaal zijn zal in een wereld waarin eens alles heilig zal zijn. Leven, bewegen wij ons en zijn wij niet reeds hier beneden alle in één God?

Het aardrijk heet hier in den grondtektst „de aardbodem". Hij is nu vervloekt met alles wat hij bevat. Met groote moeite, in 't zweet onzes aanschijns, met groot gevaar moeten wij zijn zware steenen, zijn vervloekt goud en het ijzer, dat wij noodig hebben om de aarde te beploegen en onze medemenschen te vermoorden, te voorschijn halen uit kwarts-rotsen uit harde mijngangen en diepe schachten.

Het aardrijk zij vervloekt om uwentwil! Ook hier het zuchten der schepping, „want het schepsel is der ijdelheid onderworpen (niet vrijwillig, maar om diens wil die het der ijdelheid onderworpen heeft)." Ook dit is een feit, dat, zooals alle geestelijke feiten, niet eens voor al heeft plaats gegrepen en voltooid is, maar een daadzaak, die nog altijd doorwerkt. Het aardrijk, de geheele natuur zucht onder onze ijdelheid. Al begrijpen wij het ook niet volkomen, de Christen vermoedt er toch iets van. Evenals eenmaal de eerste zonde de heilzame krachten der natuur in banden en ketenen sloeg en daarentegen den toegang openstelde voor de krachten der onderwereld, zoo binden uwe

Sluiten