Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar het kleinste deel van dit leven, laat ons zeggen <?en uur daags, te gebruiken tot een ernstige voorbereiding voor deze lange reis, doet mij sterk vermoeden, dat wij eens, ergens en op wat wijze ook, de kluts zijn kwijt geraakt. Voor alles toch heeft de mensch tijd en tegenover dit vreeselijk, onvermijdelijk gevaar, sluit hij de oogen en tracht hij, onder kinderachtig en flauw tijdverdrijf de enkele uren, <lie hem geschonken zijn dood te slaan. Zou het verder in den haak zijn en van den beginne aan 7.00 geweest, dat wij in dit aardsche leven zoo blind rondstappen, onzeker omtrent het volgend oogenblik, ■en dat wij niet weten vanwaar wij komen, hoe wij ontstaan zijn en wat er van ons worden zal?

Is het normaal, dat wij niet begrijpen, hoe wij met onze hersens denken, met ons hart gevoelen, met onze maag verteeren, ja, dat wij niet weten, hoe onze ziel woont in ons lichaam, terwijl wij ook de werkingen van ziel en lichaam niet nauwkeurig onderscheiden kunnen en dat er nog zooveel is waarvan we niets weten? Is het billijk en natuurlijk dat wij zoo spoedig en zoo noode sterven moeten en al ons bezit en onzen arbeid achterlaten? Ach de dood! de dood! Verlos mij van dat gruwelijk spooksel, dat al mijn levensvreugd vergalt, wiens koude hand ik reeds dikwerf heb meenen te voelen op mijn schouder; dan zal ik gelooven dat de mensch niet gevallen is. „Dat ons bestaan schuld in zich sluit bewijst de dood", geeft zelfs de ongeloovige Schopenhauer toe.

In één woord, wij zijn ellendig. Of ik reis naar

Sluiten