Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de M. v. T. verwijst hier naar hetgeen bij de arbeidstijden is opgemerkt. Hetgeen dus zeggen wil dat ook deze vergunning des ministers bedoeld is voor de gevallen, waarin de noodzakelijkheid van Zondagsarbeid (langen tijd van te voren) te voorzien was, terwijl de bevoegdheid om zonder vergunning Zondagsarbeid te doen verrichten zal worden gebruikt, zoovaak die noodzakelijkheid niet vooraf bekend was Het eerste geval zal zich wel niet dikwijls voordoen ; waarschijnlijk zal wel niet dikwijls den minister vergunning tot Zondagsarbeid gevraagd worden, daar juist deze het middel is, waardoor in zeer plotseling opkomende behoeften wordt voorzien. Dat de Minister door de wet niet hier (als bij de arbeidstijden) beperkt is in het aantal malen, dat hij zoodanige vergunning mag verleenen, is dus geen groot voordeel. Met het onderzoek door de bevoegde macht naar het „bijzondere" der omstandigheden zou toch te veel tijd verloren gaan. Belangrijker is de bevoegdheid des werkgevers tot afwijking zonder vergunning, welke bevoegdheid hij 6 maal in 1 jaar ten aanzien van eenzelfden arbeider mag uitoefenen. Zooals reeds werd opgemerkt geldt het ook hier afwijkingen niet alleen van den hoofdregel, doch ook van de uitzonderingsstelsels. Nu komt het ons voor dat de Minister, voor beide gelijkelijk 6 afwijkingen zonder vergunning mogelijk makend, aan den eenen kant zeker te weinig, aan den anderen wellicht te veel geeft. De gevallen staan allerminst gelijk en er is daardoor een zekere onbillijkheid in de gelijke bejegening. Men oordeele: de werkman, die „gewone" werkzaamheden verricht, ziet zich door de wet een wekelijkschen rusttijd van 30 uur, waarbinnen een Zondag, verzekerd. De mogelijkheid van afwijking krachtens vergunning buiten beschouwing latend, ziet men dat hij in het ongunstigste geval niet meer dan 6 Zondagen in een jaar zal kunnen arbeiden. Stelt men daar tegenover den werkman wiens arbeid bij alg. bestuursmaatregel tot de „uitgezonderde" is gebracht en neemt men het geval, dat voor dezen werkman het uitzonderings-stelsel c geldende is, dan heeft hij reeds krachtens de wet niet meer dan 1 vrijen Zondag in de 4 weken, dus 13 per jaar. Zonder dat daartoe vergunning des Ministers noodig is, kunnen van die 13 vrije Zondagen er nog G worden afgenomen; blijft 7 (in het ongunstigste geval). De billijkheid reeds zou vorderen dat, waar de regel zooveel ruimer is, de uitzondering

Sluiten