Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer ik een personeel op mijn kantoor lieb van 4 personen, en één daarvan voortreffelijk zijn werk doet, terwijl de andere drie eigenlijk maar wat lanterfanten, moet ik dan aan dien eerste zeggen toch vooral niet meer te doen dan precies op zijn weg ligt, omdat hij door iets teveel te doen de drie anderen misschien nog luier maakt dan zij reeds zijn? Moet ik hem dat zeggen, ook wanneei daardoor het geheele viertal tezamen het totaal te verlichten werk geheel niet zoude af kunnen? Ik geloof, dat iedereen het met mij eens zal zijn dat het beter is, al betieurt men dat de 3 anderen niet even flinke werkkrachten zijn, den eerste desnoods iets te laten doen, hetgeen eigenlijk op den weg der anderen zou liggen, dan mijn geheele kantoor in het honderd te laten loopen? Laten wij hopen, dat het voorbeeld van den een de anderen ertoe moge brengen, langzamerhand ook beter te gaan werken.

We hebben in onze wetgeving een tamelijk analoog geval met de faillissementswet, van welke ook wel eens wordt beweerd, dat zij eigenlijk niet heel behooilijk werkt. Inderdaad weet elk advocaat en rechter, dat veelal een faillissement wordt aangevraagd, waar een ander rechtsmiddel eerder gekozen zoude worden, als maar niet dat andere rechtsmiddel zoo akelig langzaam en kostbaar werkte. Zit nu de fout in de faillissementswet? Ik zou zeggen „neen", de fout zit niet daarin, dat onze faillissementswet zoo goed is, in zooverre zij zoo spoedig en zoo goedkoop werkt, maar in onze overige rechtsvordering, die zoo omslachtig en kostbaar is.

Ik meen hiermede mijn standpunt duidelijk te hebben uiteengezet. Mijn stellingen zijn dus deze: tot motiveering eener ontzettingsaanvrage is — bij ontstentenis van kwaadwilligheid bij den ouder - het objectief aanwezig zijn van verwaarloozing voldoende. De grens tusschen voogdijraadswerk en armenzorg is deze, dat bij onmacht of ongeschiktheid van den ouder — a fortiori bij verwaarloozing -

Sluiten