Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3°9

De oevers blijven laag tot even beneden Sapoet, waar aan 12 den linkeroever grijze, harde kwartsiet voorkomt, waarvan de lagen 75—85° naar Z 30 W hellen. Juist boven Sapoet steken eenige klippen van amphibool-porphyriet uit het water op, terwiil iets hooier de rivier wordt vernauwd door vooruitstekende

J O

rotsen van fijnkorreligen zandsteen, waarvan de banken 160 naar het Noorden hellen. Het zijn klippen van denzelfden zandsteen, die iets hooger den stroom zeer onstuimig maken en de riam Përëdjoek *) veroorzaken.

Aan den rechteroever treedt even beneden Poelau Noesa weder porphyriet op en dit eiland zelf bestaat aan zijn boveneinde uit datzelfde gesteente, terwijl in het stroomafwaarts gelegen deel van het met bosch begroeide eiland de bodem met rolsteenen is bedekt.

Zooals op kaart IXA is aangegeven, wisselen langs de oevers verder zandsteen en andesitische porphyriet herhaaldelijk met elkander af, en het zijn gewoonlijk de rijen porphyriet-rotsen, die dwars of schuin door het rivierbed verloopen, welke tot het ontstaan van stroomversnellingen aanleiding geven. Ongeveer bij den mond van de Këlibang bësar kwam ons een sampan te gemoet, waarin eenige Dajaks zaten, die ik terstond aan hun tatoueeringen en aan hun reusachtige oorschijven als tot den stam der Oeloe-Ajers behoorend herkende. Ik hield hen aan en vernam dat een van hen Wangsa Patti, het kamponghoofd van Lëmatak, de hoogste nederzetting aan de Tëbaoeng, was, juist de man dien ik voor mijn voorgenomen tocht naar het Madi-gebergte noodig had. Hij deelde mij mede, dat er bij hem groot gebrek aan rijst was en hij de rivier afging om in Boenoet rijst te koopen. Niet dan na lange onderhandelingen en met veel moeite gelukte het mij, hem te overreden met mij te gaan, doch van het oogenblik, dat hij in mijn bidar over-

1) De hevige stroom veroorloofde mij met mijn betrekkelijk zware bidar alleen de rotsen juist beneden de riam te onderzoeken 5 de mogelijkheid is niet uitgesloten dat de rotsen iets hooger in de eigenlijke riam, die mij toeschenen een eenigszins anderen vorm te hebben , uit porphyriet bestaan.

Sluiten