Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a. De waterhoeveelheid van de zijrivier is zeer onbeduidend vergeleken met die van de hoofdrivier. Resultaat. ei ontstaan geen karangans. Voorbeeld: beekjes uit de danaus die zich in de Kapoewas ontlasten.

b. De waterhoeveelheid in de zijrivier is niet onbelangrijk. Resultaat: Het water van de hoofdrivier wordt eenigszins opgestuwd en naar de overzijde gedrongen, en haar stroomsnelheid wordt daar lokaal vrij sterk verminderd. Er ontstaat in de hoofdrivier tegenover den mond der zijrivier een rolsteenbank of een rolsteen-eiland, dat uitsluitend uit gesteenten, door de hoofdrivier aangevoerd, zal bestaan. De weinige schuifsteenen, door de zijrivier aangebracht, zullen door den sterkeren stroom van de hoofdrivier terstond worden meegevoerd (zie fig. 79). Voorbeeld: waterrijke beeken, zooals bijv. de Mitau, Riang en de Patah Batang, die zich in de Lëkawai ontlasten.

2e De waterhoeveelheid van de zijrivier is veel geringer dan die van de hoofdrivier, maar het verval en de hoeveelheid van het afgevoerde steengruis is in de zijrivier zeer groot. Resultaat: Bij het punt van samenvloeiing wordt het verval van het water der zijrivier plotseling veel geringer en een groot gedeelte van het door haar afgevoerde steengruis komt tot bezinking. Er ontstaat

een karangan bij en juist beneden den mond der zijrivier, welke in hoofdzaak, hoewel niet uitsluitend, uit gesteenten zal bestaan, door de zijrivier aangevoerd (Fig. 80 bij d). Iegenover haar mond wordt dan niet zelden een kleine karangan (Fig. 80 bij 6) gevonden, waarin uitsluitend gesteenten, door de hoofdrivier aangevoerd, voorkomen, wier ontstaan op de sub ib vermelde wijze moet worden verklaard. Zeer zuiver vindt men dit type, waar smalle, doch snelvlietende bergstroomen zich in een groote rivier ontlasten, bijv. waar de Mëdjoewai zich in de Boven-Kapoewas ontlast.

3e De beide rivieren, die zich met elkaar vereenigen, verschil-

Sluiten