Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gering geschat mag worden, maar waarvan de ondervinding toch leert, dat zij niet altijd voldoende is om het heilige vuur van geestdrift voor de gekozen levenstaak te onderhouden. Toen ik dezer dagen Mr. N. G. Pierson's „Leerboek der Staathuishoudkunde" nog eens doorlas, viel mijne aandacht op de volgende tirade [deel I, blz. 229]:

„Men wordt zelden winkelier, zonder vooraf winkelbediende te zijn geweest; dat is, zonder eenige jaren verkeerd te hebben onder den invloed deidenkbeelden van hen, die het bedrijf, waarin men zich begeeft, reeds lang hebben uitgeoefend. In die denkbeelden ligt menigmaal de slotsom van nauwkeurige waarneming, maar ook dikwijls van vooroordeel, bekrompenheid, onverstand; het is zeer denkbaar, dat degeen, die ze blindelings volgt, een dwaalspoor betreedt. Zoolang er niets is, dat iemand dwingt zijne denkbeelden te herzien, loopt hij gevaar dit na te laten, en de klasse van personen, waartoe de winkeliersstand behoort, is niet die, welke in den regel het minst is blootgesteld aan den invloed der sleur".

Hetzelfde geldt m. i., zij het wellicht ook in mindere mate, voor andere vakken, ook voor den onderwijzersstand. Daarom schijnt het mij niet aanbevelenswaardig toe, dat de benoeming tot onderwijzer der le klasse feitelijk ook al zoo goed als heelemaal een zaak van ancienneteit geworden is. Dit heeft, geloof ik, niet in de bedoeling van den wetgever gelegen, en ligt misschien ook nu nog wel niet in de bedoeling van de autoriteiten. Maar gelijk alles, wat van 'een zeer groot lichaam,

Sluiten