Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zooals wij die nooit van onze voorouders gehoord hebben? Zij antwoordden: ja. Welnu zeide hij, zou ik dan niet met hen hunnen God dienen, die hen tot ons heeft gezonden?

De verantwoording van Salomo was zoo welsprekend, zoo overtuigend, dat allen als verslagen waren.

Toen noodigde hij allen uit, deel te nemen aan het feestmaal.

Nadat ik gebeden had, hoorde men gedurig van alle kanten het smakken, een bewijs dat het goed smaakte.

De anggi van Salomo bleef evenwel nijdig. Hij wilde niet eten, ofschoon Salomo en wij allen hem dringend en vriendelijk er toe uilnoodigden, maar niets hielp.

Mijne vrouw had, zonder mijn welen, pannekoeken medegebracht van onzen zendingspost. Zij legde er eenigen op een bord, riep den aanvalligen Jaeobus, Salomo's zoon, en zeide tot hem: ga lot je oom, zet je op diens knieën, kijk hem vriendelijk aan, en zeg: Oom wees niet boos; ik heb u toch geen kwaad gedaan, neem dus dit van mij aan. Jaeobus deed alzoo en het was roerend te zien, hoe vriendelijk die kleine jongen in het booze oog zijns ooms zag, en te hooren, hoe hij hem smeekte, toch niet boos te zijn; maar het hielp niets; oom was en bleef boos.

Toen zeide mijne vrouw: Ama ni Moeara! ik dacht, dat wij vrienden waren, en nu wilt ge mij beleedigen, dat had ik niet van je verwacht. Dat wil ik ook niet, zeide hij. Welnu, was het antwoord, dan moet ge ook van die pannekoeken eten, die ik voor je heb medegebracht. Zij had overwonnen; de woede was voorbij; hij at niet alleen van de pannekoeken, maar ook van het feestmaal. Ik moest de tact mijner vrouw bewonderen. In het practische leven zijn en blijven wij, mannen, dikwijls in vele opzichten schooljongens tegenover die meesteressen.

Sluiten