Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en toegewijd onderwijzer. Van de jongelingsvereeniging was hij een trouw lid en ijverig medearbeider. Toch was hem dit werk niet genoeg, gaarne had hij zich geheel en al aan den geestelijken arbeid gewijd. En hoe meer hij hierover nadacht, hoe levendiger zijn begeerte werd om God te dienen in de verkondiging des Evangelies. Het woord van een zendeling van het Rijnsche Zendelinggenootschap gaf voor hem den doorslag. Hij zou zendeling worden. Daar zijn vader hem echter geen toestemming wilde geven, ging hij heel kalm en geduldig met zijn gewone werk voort, overtuigd, dat God hem den weg zou banen indien het Zijn wil was. De weg werd ook gebaand, al was het dan ook eerst op zijn sterfbed, dat zijn vader hem nu niet alleen toestemming gaf, doch het zelfs als zijn wensch uitsprak, dat Ewald als Evangeliebode naar de heidenen zou gaan.

Dadelijk bood hij zich nu bij het reeds genoemde Rijnsche Zendelinggenootschap aan. Hij werd aangenomen en begon met blijden moed zijn studiën. Het waren goede jaren voor hem, de zes jaren, die hij in het zendingshuis doorbracht; gezegende jaren voor hoofd en hart. Maar nog blijder klopte zijn hart, toen ook voor hem de plechtige ure gekomen was, op welke hij werd ingezegend tot den dienst des Evangelies onder de heidenen. Het was in Augustus van het jaar 1896. Hij werd bestemd voor Nias en nog in October werd de reis ondernomen.

Zooals wij reeds vermeld hebben, zette hij aan den avond van den vijfden December te Goenong Sitoli op het eiland Nias voet aan wal. Wat er in het hart van een jong zendeling moet omgaan, wanneer hij na lange jaren van voorbereiding voor de eerste maal de heidenen — en ook de Christenen uit de heidenen — van aangezicht tot aangezicht ziet, laat zich gemakkelijker denken dan be-

Sluiten