Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a. «voor personen die zich aan bepaalde beroepen dan wel aan wetenschappelijke en industrieele vakken wijden. Dit ligt in de bedoelingen van artikel 14 van het meermalen aangehaald Koninklijk besluit maar vereischt evenwel eene nadere aanwijzing";

b. «voor honorifieke bedieningen en dezulke die tegen genot J van een gering honorarium worden waargenomen. Het zou eene te groote belemmering daarstellen en niet zelden op de buitenkantoren zeer nadeelig zijn bijaldien voor deze categorie van ambtelijke betrekkingen, het radicaal gevorderd werd";

e. «voor een aantal bedieningen welke, hoezeer niet van de minste klassen, echter alle behooren tot die welke, in I het algemeen belang, voor eene vrije mededinging dienen open te blijven, zoowel tot aanmoediging als tot oefening van allen die het radicaal niet bezittende, den lust hebben om zich te bekwamen, om te ecniger tijd daartoe aan Zijne Majesteit te worden voorgedragen";

d. «alle bureau-geëmploijeerden f 350.— 'smaands of daarbeneden genietende. Het was noodig dit geldelijk maximum vast te stellen omdat men hier te lande vele gradalien heeft, van den hoofdcommies af tot den derden commies der 2ae klasse toe. Voor geen hunner zoude bij eene letterlijke uitlegging van artikel 10 van het Koninklijk besluit van 4 Maart 1825 n°. 119, het radicaal gevorderd worden i want allen zijn commiezen maar aan de hoogere klassen van die ambtenaren wordt reeds eene mate van vertrouwen! geschonken die geacht moet worden uitsluitend voor den* I door Zijne Majestesteit benoemden, ambtenaar te zijn| bestemd geweest. Men is daarom overgegaan om dej Hoofdcommiezen uit te sluiten en om de scheidslijn te trekken bij een traktement van f 350.— 's maands, hetwelk] dal is van de lBte commiezen op eenige der bureaux van| het algemeen bestuur te Batavia";

e. «alle mindere bedieningen die, hoezeer uit den aard der zaak van de uitsluiting ontheven, echter volledigheidshalve in de optelling zijn opgenomen'^1).

Het Opperbestuur vereenigde zich met de zienswijze van de Indische Regeering en in overeenstemming daarmede werd in 1836 een gespecificeerde lijst vastgesteld van betrekkingen waartoe men benoemd kon worden zonder in het bezit te zijn van het radicaal voor Oost-Indisch ambtenaar (*).

In verband met de hoogervermelde voorschriften werden in de eerstvolgende jaren de ambtenaren voor den Indische! administratieven dienst aangesteld. Van een bepaalde opleiding waardoor die ambtenaren voor hun taak werden voorbereid was daarbij geen sprake. Wel stelde de Regeering hoogen prijs op het bezit van taalkennis bij de besturende ambtenaren en werd zelfs te Solo een Instituut opgericht waa| zij, die daartoe lust gevoelden, zich in de Javaansche taal en in eenige onderdeden van den werkkring van bestuursambtenaar konden bekwamen, maar ook zonder dit Instituut bezocht te hebben kon men bij het Binnenlandsch Bestuur geplaatst worden en de geschiedenis van die instelling kan bij de behandeling van dé gedragslijn welke de Regeering in 't algemeen volgde ten aanzien van de opleiding Harer Indische ambtenaren buiten bespreking blijven. Die geschiedenis zal afzonderlijk behandeld worden in het volgend Hoofdstuk o. a. handelende over de maatregelen door de Regeering in de eerste helft van deze eeuw genomen ter bevordering van taalstudie door Hare ambtenaren,

(') Resolutie 23 Augustus 1835 n*. 1.

(*) Resolutie 21 Juni 1836 n'. 1 (Indisch Staatsblad n". 35). Zif Bijlage A hierachter.

Sluiten