Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit uit te breiden met de beginselen van ons burgerlijk- en strafrecht welke aan de Leidsche hoogeschool bestudeerd konden worden en wilde voorts de studie zoowel van het Maleisch als van het Javaansch verplichtend stellen, dit laatste omdat het eene zeer beschaafde en rijke taal is, zoodat zij, die haar beoefend hebben, beter bij machte zijn dan anderen om zich met vrucht op de studie der overige talen toe te leggen. Met den Raad van Directeuren achtte de Raad van Indië de studie van de bouwkunde onuoodig en die van het landmeten aanbevelenswaardig.

Hiertoe zou dit vak dan te Leiden gedoceerd moeten worden.

Met betrekking tot hel denkbeeld van den Heer vak der Chus om Nederlandsch-Indië in taalgebieden te verdoelen en de ambtenaren diensvolgens op te leiden, schreef de Raad het volgende:

Bestrijding van het denkbeeld om de ambtenaren te plaatsen naar gelang van de talen waarin zij geëxamineerd zijn.

Afdeeling B van Gymnasium Willem III in elk geval te behouden.

/

Conclusiën van den Raad van Indië. Te veel detailkennis.

Oprichting Rijksinstelling niet noodzakelijk.

Het verdient aanbeveling dat voor de opleiding van Oost Indische ambtenaren gebruik wordt gemaakt van di Universiteit te Leiden.

•Oppervlakkig gezien klinkt dat niet kwaad, maar wanneer men de taalkaarten van Java en Sumatra raadpleegt (de andere zijn nog niet verschenen), dan hegiut men aan de uitvoerbaarheid le twijfelen. -

Ook ryst de vraag of bijvoorbeeld het liataksch wel ooil een beoefenaar zou vinden, wanneer de candidaat wist dat hem bij een welgeslaagd examen in die taal het twijfelachtige voorrecht zou te beurt vallen van by voortduring voor den dienst in die landen bestemd te zijn.

Eindelijk moet worden opgemerkt, dat de heer va» der Chus zich schuldig maakt aan groole overdrijving, waar hij spreekt, als regel, van ons sukkelen met halfbakken ambtenaren en beweerl, dat er tusschen een Battak en een Ambonees evenveel verschil bestaat als tusschen een Frieschen boer en een Spanjaard. Hij vergeet daarb.j dal de eersten beiden tol het Maleische ras behooren en dal naarmate men doordringt in de Inlandsche instellingen, ook duidelijker aan den dag komt dat het verschil au fond zoo groot niet is, als het zich oppervlakkig laat aanzien. De vergelijkende ethnologische studiën van den Heer Wilkek toonen dat genoegzaam aan.

De Raad is dan ook door deze beschouwingen geenszins teruggebracht van Zijne meening dat met de verplichte studie van hel Maleisch en Javaansch kan worden volstaan. De beoefening der verdere Indische talen late men geheel aan den vrijen wil der candidaten over, en de Raad acht het ook niet noodig die talen als onverplichte vakken in hel examen-programma op te nemen".

Omtrent de vraag of ook in Indië gelegenheid gegeven zou moeten worden tot opleiding van Oost-Indisch ambtenaar, verklaarde de Raad met het College van Curatoren vau oordeel te zyn »dat de afdeeling B van het gymnasium »Willem UI zelfs indien meer uitgaven voor die inrichting •noodig mochten zijn, billijkheidshalve in elk geval behouden •moet blijven". AUeen zou het daar gegeven onderwijs in overeenstemming gebracht moeten worden met het nieuwe programma.

De Raad vatte zijne conclusiën ten aanzien van dit onderwerp ten slotte als volgt samen:

• 1*. Er wordt op de beide gemeenteinslelüngen te Leiden en te Delft te veel geoflerd aan oppervlakkige polyglottische taalkennis en aan details in de andere vakken, hetgeen echter hoofdzakelyk de schuld is van de wijze, waarop hel examen wordt afgenomen, zoodat de Regeering het in Hare macht heeft die bezwaren grootendeels weg nemen.

2°. De oprichting eener afzonderlijke Rijksinstelling, welke Uitsluitend voor de opleiding van Oost-Indische ambtenaren zou worden bestemd, is niet noodzakelijk en kan, alleen op theoretische gronden, niet verdedigd worden.

3e. In elk geval zou eene Rijksinstelling, als door de Hoogleeraren vak der Lith en Spanjaard voorgesteld, om haar schoolsch karakter afgekeurd moeten worden. . 4". Intusschen verdient het aanbeveling voor de opleiding der Indische ambtenaren zooveel mogelijk gebruik te maken van de lessen, aan de Rijksuniversiteit te Leiden gegeven, omdat die het wetenschappelijk karakter der opleiding meer zouden verzekeren en een beteren grondslag opleveren voor verdere ontwikkehng door eigen studie en waarneming.

5°. Daarby zou, omdat het aantal candidaten in den regel de behoefte overtreft, een Staatsexamen van vergchjkenden aard moeten ingesteld

Sluiten