Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJLAGE E.

KONINKLIJK BESLUIT van 6 December 1842 n°. 59, betreffende de benoembaarheid en uitzending der Oost-Indische ambtenaren.

Artikel 1.

De burgerlijke ambtenaren in Nederlandsch-Indië zijn verdeeld in drie klassen:

De eerste klasse beslaat uit degenen, welke aan een van 's Rijks hoogescholen den graad van doclor in de regten hebben verkregen en daar te boven bij de Koninklijke akademie te Delft een voldoend examen hebben afgelegd in de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië.

De tweede klasse bestaat uit die, welke den graad van doctor in de regten niet bezittende, bij de akademie te Delft zullen hebben afgelegd een voldoend examen in de onderscheidene vakken van kennis en wetenschap, welke bij die akademie worden onderwezen aan hen, die zich voor den burgerlijken dienst in Indië bestemmen.

De derde klasse beslaat uit degenen, welke hoezeer algemeene geschiktheid voor den dienst bezittende, echter de bijzondere vereischten missen voor de twee eerste klassen bepaald.

Artikel 2.

De ambtenaren der derde klasse kunnen later worden opgenomen in de tweede, wanneer zij het voor deze laatste gestelde examen, op de daarvoor bepaalde wijze, zullen hebben afgelegd.

Artikel 3.

Alle ambten in Nederlandsch-Indië zijn toegankelijk voor de ambtenaren der eerste klasse. Die der tweede klasse zijn benoembaar in alle ambten, in welke niet gevorderd wordt bet bezit van den graad van doctor in de regten.

Artikel 4.

Wij behouden Ons voor, om na ruggespraak met onzen Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, le bepalen, of en zoo ja, welke grenzen aan de verkiesbaarheid der ambtenaren van de derde klasse behooren te worden gesteld, voorzooveel betreft de ambten, tot welker behoorlijke waarneming de kennis van de talen, instellingen en gewoonten der Inlandsche bevolking een voornaam vereischte is.

Inmiddels wordt als algemeen beginsel aangenomen, dat bij al zulke benoemingen de ambtenaren der twee eerste klassen, zooveel doenlijk zullen genieten de voorkeur.

Artikel B.

Bij alle verzoekschriften strekkende om tot ambtenaar in Nederlandsch-Ind'ë te worden benoemd, zal moeien worden overgelegd:

a. het bewijs van den ouderdom des adressants, met opgave of hij gehuwd of ongehuwd is;

b. het bewijs, dat hij voldaan heeft aan de bepalingen omtrent de nationale militie;

c. eene door den provincialen gouverneur gestaafde verklaring van het plaatselijk bestuur, zoo van de gemeente, alwaar de adressant zich gewoonlijk heeft opgehouden als van die, alwaar hij gedurende de laatste twaalf maanden gewoond heeft, dat hij is van een onbesproken zedelijk gedrag;

d. zoo de adressant eenig beroep uitgeoefend of eenig ambt bekleed heeft, een getuigschrift van bevoegde personen, dat hij zich daarin behoorlijk gekweten heeft van zijne verpligtingen;

e. wanneer het verzoek strekt om te worden benoemd tot ambtenaar der eerste klasse, het bewijs, dat de verzoeker is doctor in de reglen, mitsgaders een door de Koninklijke akademie te Delft afgegeven diploma voor de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië;

f. wanneer het verzoek strekt om te worden benoemd tot ambtenaar der tweede klasse, een te Delft afgegeven diploma op den voet van artikel 14 van Ons besluit van 20 October jl. n°. 5ö;

g. wanneer het verzoek strekt om te worden benoemd tot ambtenaar der derde klasse, het bewijs dat de verzoeker het lager en middelbaar onderwijs met lof heeft doorloopen.

Artikel 6.

In het algemeen zullen geene andere personen als ambtenaren voor Nederlandsch-Indië worden benoemd dan jongen en ongehuwden, die hunne loopbaan als ambtenaar in Nederlandsch-Indië aanvangen.

Sluiten