Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Examens. Afzonderlijke — voor de ambtenaren Binnenlandsch Bestuur, blz. 10. — aan de Rijksinstelling te Leiden, blz: 55. Afzonderlijke — voor bureau-ambtenaren, blz. 65, 86, 88. Aan — moet nief te veel waarde gehecht worden, blz. 65. Groot-ambtenaarsexamen ingesteld in 1864, blz. 66. Reglement voor dit examen, blz. 71. Wijziging van de bepalingen op dat examen, blz. 78, 79, 90. — als maatstaf voor bijzondere takken van dienst, blz. 71. Rij het afnemen van — wordt vaak meer gelet op geleerdheid dan op verstandelijke ontwikkeling, blz. 73. Bespreking van de melhode der — van den Engelsch-Indischen dienst, blz. 74. Vrijheid van keuze der — vakken, blz. 71, 74. Plaatsing der ambtenaren in verband met de cijfers behaald bij het eindexamen Hoogere Burgerschool, blz. 77. Africhting voor — niet vereenigbaar met wetenschappelijke vorming, blz. 79. Studie voor — kan niet samengaan met bureauwerkzaamheid, blz. 83. Dispensatie van het groot-ambtenaarsexamen, blz. 79, 84, 85. Vermenigvuldiging der op de — behaalde cijfers met een verhoudingscoëfficïent, blz. 102. Tegen overlading van het — programma moet gewaakt worden, blz. 112. Afzonderlijke — voor de betrekking van assistent-resident, secretaris of landraadvoorzitter, blz. 107, 118. Regeling van het groot-ambtenaarsexamen van 1893, blz. 119, Rijlage L. Latere wijzigingen daarin, blz. 120.

Gehalte (der ambtenaren Binnenlandsch Bestuur). Ongunstig oordeel over het — die in Indië opgeleid zijn. blz.

6, 103. Gunstig oordeel over het — die in Indië opgeleid zijn, blz. 8, 106, 129. — der jongere ambtenaren in 't algemeen gunstig beoordeeld door den Gouverneur-Generaal Pijnacker Hordijk blz. 111. Minder gunstig door den Minister van Dedem. blz. 116.

Landbouwkennis (voor de ambtenaren Binnenlandsch Bestuur). Geschiedenis van afdeeling A van de Buitenzorgsche Landbouwschool, blz. 90—93.

Landmeten. Kennis van — wenschelijk voor den ambtenaar Binnenlandsch Bestuur, blz. 31. Examen in — geëischt van de surnumerairs bij de landelijke inkomsten, blz. 32, 45, 64. Het — opgenomen onder de niet-verplichte examenvakken, blz. 67. Keunis van — en waterpassen strekt tot aanbeveling, blz. 77. Testimonium voor het —, blz. 111. Niet noodig geoordeeld, blz. 112. Intrekking van de bepaling dal kennis van — tot aanbeveling strekt, blz. 115.

Onderwijs in de Indische wetenschappen. Wetsontwerp tot regeling van het —, blz. 51—64. Het — moet aansluiten aan een breeden grondslag van algemeene omwikkeling, blz. 52. Meester in de Indische wetenschappen, blz. 56, 60. Inlijving van het — bij eene Academie niet gewenscht, blz. 58. Eene Rijksinstelling voor — kan ook nuttig zijn voor niet-ambleuaren en a. s. volksvertegenwoordigers, blz. 59. De Rijksinstelling voor het — behoort tot het middelbaar onderwijs, blz. 60, 61. Het — kan later bij de wet geregeld worden, blz. 62. Door het — zal de belangstelling in Indië toenemen, blz. 62. Inrichtingen voor het, — blz. 70. Opheffing van de llijksinslelling y0or — te Leiden, blz. 79. Gemeente-instellingen voor —, blz. 80. Waarborgen voor bekendheid met de Indische wetenschappen bij de regeling van 1893, blz. 119.

Opleiding der (Oost-Indische ambtenaren). De — behoort te geschieden in Nederland, blz. 5, 6. — in Indië kan tot goede resultaten leiden, blz. 8. Voorstel tol — aan de Algemeene Secretarie, blz. 20, Bijlage D. Het onderwijs in Indië mag niet zoo hoog opgevoerd worden dat eene — in Nederland ontbeerd kon worden, blz. 21, 144. Denkbeelden van Baud over de —, blz. 22—24. By de — moet gestreefd worden naar het wekken van wetenschappelijke belangstelling, blz. 28. Theoretische — in Nederland, practische vorming in Indië, blz. 29. Verplichte — in Nederland voor het eerst wettelijk geëischt, blz. 33. Tegenstand tegen dit beginsel in Indië, blz. 53. Aanwijzing der betrekking waarvoor eene Europeesche — geëischt wordt, blz. 33—37. Wenschelijkheid eener militaire inrichting tot —, blz. 41. Militaire opleiding ontraden, blz. 100. Voorstel van Rochüssen om af te zien van verplichte — in iSedeiland, blz. 41. Nader betoog van Raud over de noodzakelijkheid eener verplichte — in Nederland, blz. 42, 43, Rijlage P. Eisch van — in Nederland op nieuw gehandhaafd, blz. 44. Strijd over de vraag of wetenschappelijke — in Nederland als eisch gesteld moet worden, blz. 47. Verscheidenheid van — voor de Oost-Indische ambtenaren gewenscht, blz. 55. De — aan de Rijksinstelling te Leiden, blz: 54; bespreking in de Tweede Kamer, blz. 56. Iu zake de — strijdt hel eigenbelang der ingezetenen tegen hel algemeen belang van den Staat, blz. 42, 56 Bijlage F. De — in Nederland wenschelijk als regel maar niet zonder uitzondering, blz. 59, 60, 62, 63. Afkeuring van het stelsel van gemonopoliseerde—, blz. 68. Vraag of bij het nieuwe stelsel van — grondig weten niet wordt opgeofferd aan veel weten, blz. 72. De — in Indië geeft minder goede waarborgen voor degelijk gehalte van ambtenaren dan — in Nederland, blz. 103. De — is Staatstaak, blz. 105. De tegenwoordige — is onvoldoende, eenzijdig en gebrekkig, blz. 107. Het verdient aanbeveling voor de — gebruik te maken van de Rijksuniversiteit te Leiden, blz. 110. De wenschelijkheid hiervan tegengesproken door den Gouverneur-Generaal Pijnacker Hordijk, blz. 112. Ingrijpende hervormingen in zake — zijn niet noodig (Gouverneur-Generaal Pijnacker Hordijk), blz. 111.

Sluiten