Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beginnen we met de bovenreeks aan den voorwand van de

eerste galerij, en van de oostelijke trap.

Tweede hoek, 3, 4 en 5 (Wilsen en Leemans, 16; 17 en 8)< ). Eens leefde de Heer als een vermogend man. die veel weldeed. Toen hij eens van zijn maal opstond om een monnik den bedelnap te vullen, opende MaRA. de Booze. een afgrond voor zijn voeten, waarin de hel vlamde. Maar ongedeerd doorschrijd de Heer den afgrond, door een lotusbloem gedragen, en beschenkt den monnik, in werkelijkheid een Pratjeka Boeddha, een emelsche heilige, die daarop in een schitterende wolk verdwijnt Op3 zien we den weldoener, met zijn giften; op 4 doorschrijdt hij de hel en op 5 vaart de monnik ten hemel.

Tweede hoek, 11 en 12 (W. L.,. 24 en 25).

De Bodhisatwa bewoonde eenmaal als haas een door ve e kluizenaars bezochte wildernis, zijn gezag over alle dieren werd tot in den hemel geroemd. Om hem te beproeven daalt Indra de hemelheer, in de gestalte van een uitgeputten reiziger tot hem neer. Een otter brengt hem visschen, een jakhal, een hagedis en een schotel zure melk (door een anderen reiziger achtergelaten), en een aap sappige vruchten, om den man te verkwikken, en de haas, die niets dan bitter gras e geven had, werpt zich zelf op een (door Indra's macht ontstoken) vuur. om geroosterd den arme tot voedsel te dienem Maar dan herneemt Indra zijn goddelijke gedaante, heft haas ongedeerd uit de vlammen op en voert hem ten hemel waar hij zijn eigen paleis en dat van de dewas alsmede maan met het beeld van den haas versiert,

Op 11 brengen de dieren hun gaven aan Indra, en op 1-

"aat de haas zich op 't vuur werpen.

«D

Tweede hoek, 18, 't hoekhui en i en 2 na den derden hoek (W. L., 31, 32, 33 en 34).

(1) Te vinden op plaat CXXXVIII en vv.

Sluiten