Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aangaat: kan het veel melk en melk van goede hoedanigheid geven; en voor werkvee: kan het de soort van arbeid leveren in die hoeveelheid als verlangd wordt. Want een dier dat het meest geschikt voor de productie is, zal in den regel ook het best het voeder tot waarde maken, ofschoon dit toch niet altijd het geval is, en daarom moet de hoeveelheid en de hoedanigheid van het voeder en zijn prijs ook wel degelijk in aanmerking worden genomen.

In het algemeen kan men zeggen, dat het tot waarde brengen van het voeder vooral afhankelijk is van de stofwisseling en het zenuwleven van een dier. In melkvee is de stofwisseling eene andere dan in mestvee, en een rustig, bedaard dier groeit bij hetzelfde voeder in den regel beter dan een dier dat onrustig is.

Met de stofwisseling in verband staan de spijsvertering, de bloedsomloop en de ademhaling.

Wat de spijsvertering betreft is er verschil niet enkel tusschen de diersoorten en rassen, maar ook tusschen de individuen. In 't algemeen zijn vroegrijpe rassen meer op voeder van grooter gehalte aangewezen dan laatrijpe; de laatsten kunnen grootere hoeveelheden ruw voer, de eersten meer gehaltrijk voer ten nutte maken. Is de stofwisseling grooter, dan ook de bloedsomloop en de ademhaling. Dit geeft verlies van arbeidsvermogen. Hoe minder sterk de ademhaling is, des te geringer de stofwisseling en des te meer van het verteerde voedsel in het lichaam wordt opgenomen. Dit geldt vooral voor mestvee. Runderen, schapen en varkens, die in dit opzicht uitmunten, bezitten dan ook wel een diep en breed ontwikkelde borstkas, maar betrekkelijk kleine longen.

B. Individueele kenmerken.

Elk fokdier moet afzonderlijk beoordeeld worden, niet alleen of het de typische kenmerken bezit van het ras, waarin of waarmede men wenscht aan te fokken, maar ook of het op zich zelf, als individu, een goed fokdier-is.

Bij eene beoordeeling als zoodanig komen dan in aanmerking:

a. het verschil tusschen mannelijke en vrouwelijke fokdier en. Ofschoon

Sluiten