Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de beenplaatsing door kanten, uitsteeksels enz. minder uitwendig zichtbaar. De spiermassa die het lichaam bedekt is nog niet volkomen ontwikkeld, nog slap en oefent weinig kracht uit; dientengevolge is de romp nog min of meer hangend, vooral tusschen de schouders, smal en min of meer toegespitst. De ledematen, voor zoover zij buiten den romp te voorschijn treden, zijn langer in verhouding tot den romp, daar de hierin aanwezige pijpbeenderen eerder hunne lengte bereikt hebben en de tegen den romp aanliggende dijbeenderen in hun groei meer ten achteren blijven. Houding en stand der ledematen zijn nog zwakker en niet normaal, aangezien de geledingen nog zwak, banden en pezen nog slap zijn. Ook de kleur van het haar verandert dikwijls met den leeftijd. Hoe meer een jong dier den volwassen leeftijd nadert, des te eerder verdwijnen deze verschillen, maar treden soms nog weer andere op, zoodat eerst met den volwassen leeftijd de normale typische rasvorm aanwezig is en goed beoordeeld kan worden of eenig dier al of niet daarin uitmunt. In allen gevalle eischt de beoordeeling van een dier op jeugdigen leeftijd eene rijke ervaring omtrent de overerving van de ras- of individueele kenmerken. •

Op rijperen leeftijd vertoont een dier gewoonlijk meer een hoekigen en minder den meer afgeronden vorm, die een volwassen dier kenmerkt. Ook verandert dan dikwijls weer het haarkleed.

Behalve op den bijzonderen toestand, waarin een dier zich bevindt ten gevolge van den leeftijd, moet bij het beoordeelen van den vorm mede gelet worden op nog andere toestanden, waarin het kan zijn, of zooals men gewoonlijk noemt op zijne conditie. Het kan mager, goed gevoed maar ook vet, opgewekt en in volle kracht of meer suffig en vermoeid zijn. Dat alles is niet zonder invloed op den vorm dien het vertoont of het uitzicht dat het heeft.

d. Beoordeeling naar de afstamming. Reeds eenige keeren hebben wij er op gewezen, dat bij de beoordeeling van een fokdier ook op zijne afstamming gelet moet worden; zie bl. 54 en 60. Een fokdier kan op zich zelf goed van vorm zijn en goede eigenschappen bezitten, en ook in zijne verrichtingen uitmunten, maar wanneer een der ouders of beiden of zelfs een der voorouders van minder

Sluiten