Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brengen, d. i. melk-, mest- en werkvee, eene gemiddelde verhouding van 1 : 5 a 6 het meest gewenscht is; maar dat men zich daarbij kan bewegen tusschen de verhoudingen van 1 : 4 en 1 : 7. Alleen bij trekossen die niet werken en op onderhoudsvoeder gesteld zijn, kan de verhouding iets ruimer, b. v. 1 : 10 a 12, genomen worden. Zoo ook voor wolschapen 1 ; 8 è, 9 en voor aanstaand melkvee op een leeftijd van 1 ü 2 jaar 1 : 8 !).

C. Voederwaarde, waarde-eenheden en voedingseenheden.

Vroeger werd de waarde der voedermiddelen met die van hooi vergeleken en in hooiwaarde uitgedrukt. Toen men later hunne samenstelling en de beteekenis van hunne bestanddeelen voor de voeding beter leerde kennen, heeft men die bestanddeelen op hunne waarde en daarnaar die van het voedermiddel getaxeerd.

Aangezien bij analyses van een voedermiddel, b. v. aan een proefstation, gewoonlijk het stikstofgehalte wordt bepaald en hieruit het onzuivere eiwitgehalte wordt afgeleid en zoo ook het onzuivere vet enz. wordt bepaald en in de analyse medegedeeld, zoo worden

!) In 't algemeen wordt er in de organisatie en in de verrichtingen van een dier naar een zeker evenwicht gestreefd, en waar dit verbroken is of dreigt verbroken te worden, door de voeding zooveel mogelijk hersteld. Een dier dat werkt ademt sneller, omdat het behoefte heeft aan meer zuurstof en afscheiding van koolzuur en waterdamp, dan wanneer het in rust is. Zoo kan men ook zeggen, dat een dier dat veel melk geeft, behoefte heeft en misschien behoefte gevoelt aan voedsel waaruit melk gevormd kan worden. Zoo ook wanneer zich in een dier vet afzet, heeft het behoefte aan stoffen waaruit vet gevormd kan worden. Daarom vooral moet met de individueele eigenschappen van een dier rekening worden gehouden. Men kan de natuur niet dwingen maar wel leiden.

Eene eenzijdige voeding werkt daarom in den regel ook verkeerd. Dieren die slap voer krijgen, zoeken bij voorkeur meer hard ruw voer. Een herkauwend dier kan men niet voeden met enkel krachtvoer; zonder ruwvoer daarbij wordt het ziek. Zijne pens verdraagt slechts weinig vet; alleen in den vorm van eene emulsie, als brijachtig voedsel, direct in de eigenlijke verteringsmaag gebracht, verdraagt het eene grootere hoeveelheid. Intusschen kan tot zekere grens met de eene voedingsstof eene andere gespaard worden. Zoo kan celstof andere koolhydraten en kunnen amiden wellicht eiwitstoffen en koolhydraten vet tegen ontleding beschermen.

Sluiten