Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewoonlijk de onzuivere bestanddeelen onderling en met de marktprijzen vergeleken en niet de verteerbare. Ook wordt bij verkoop, b. v. van koek, behalve zuiverheid, dat is afwezigheid van vreemde bestanddeelen, gewoonlijk slechts een zeker gehalte aan onzuiver eiwit en vet gegarandeerd, en bij de controle aan de proefstations alleen dit gehalte bepaald. Van de overige stikstofvrije voedingsstoffen wordt dus het gehalte geschat, in lijnkoeken op gemiddeld 28 proc., en gerekend dat de stikstofhoudende of eiwitachtige stoffen, het vet en de overige stikstofvrije stoffen (koolhydraten) in waarde tot elkander staan als 4 : 3 : 1.

Gesteld nu dat er lijnkoek verkocht is voor ƒ 9.50 de 100 KG. en daarin gewaarborgd een gehalte van 28.5 proc. eiwit en 10 proc. vet. Men kan dan de volgende berekening maken. Aangezien wordt aangenomen dat de voedingsstoffen in waarde tot elkander staan als 4 : 3 : 1, kan men vooreerst alles tot waarde-eenheden herleiden, door de procenten eiwit met 4 en die van het vet met 3 te vermenigvuldigen.

Wij hebben dan aan koolhydraten 28 waarde-eenheden, aan vet 3 x 10 = 30 „

en aan eiwit 4 X 28.5 = 112 „

Samen . . . 170 waarde-eenheden, en daar de prijs is ƒ 9.50, kost eene waarde-eenheid 930/170 of 5.6 ct.; dat is 1 KG. van de koolhydraten 5.6 ct., 1 KG. vet 3 X 5.6 = 16.8 ct. en 1 KG. eiwit 4 x 5.6 = 22.4 ct.

Blijkt nu bij het onderzoek, dat slechts 27.5 proc. eiwitachtige stoffen aanwezig zijn en 9.5 proc. vet, dus 1 proc. eiwit en i/2 proc. vet te weinig, dan kan 22.4 -+- 8.4 = 30.8 cent per 100 KG. gekort worden.

In Duitschland wordt in den regel, naar Emil Wolff, Kühn en anderen, voor de waardebepaling van een voedermiddel het verteerbare deel der voedingsstoffen tot maatstaf genomen en daarbij de waardeverhouding tusschen de verteerbaar stikstofhoudende stof (eiwit en amid), vet, stikstofvrije extractstoffen en celstof gesteld op 3:2:1: i/2, voor verteerbaar vet ook wel 3. Met het oog op het berekenen van de voederwaarde van een

Sluiten