Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weren des zomers de zonnestralen af; in den winter blaast de noordoosten wind vrij over de wijde vlakte. Een eind voorbij Rolde, terwijl de spitse toren van Gieten in de verte boven het geboomte uitsteekt, kan men rechts afslaan , een muilen zandweg naar Gasselte in. Dat is eene wandeling door geluidlooze eenzaamheid. Alom de heide, licht golvend, hier en daar een veenplas en voor 't oog geen andere rustpunten dan af en toe een groepje pijnboomen, stram en onbewegelijk, zwart tegen de blauwe lucht. Mooi, vooral als de heide bloeit, maar melancholiek om de sprakelooze verlatenheid.

Van den kant van Gasselte komen menschen aansjokken. Voorop een zware kerel, over den rug eene harmonica, een woeste, rosse baard om het gemeene gezicht, de handen in de broekzakken en een stok onder den arm. Achter hem eene vrouw. Zij heeft een rooden zakdoek over 't hoofd gebonden, toegeknoopt onder de kin. Over de rechterwang ligt een diep litteeken, herinnering aan eene snijpartij van langgeleden, op haar bruiloft. Want de man en zij zijn wettig getrouwd. Onder 't loopen eet zij van een homp krentenstoet. Weder achter die beiden komen twee opgeschoten meisjes van zestien en achttien jaar misschien, bepakt met de garderobe der familie. Zeiven zijn zij gedekt met oude, verlepte stroohoeden; 't jak hebben zij aan den hals open voor wat koelte op dezen heeten dag. Het stugge haar dragen zij kortgeknipt. De gezichten overigens niet onknap, maar

Sluiten