Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naarmate het einde nadert, verdwijnt mèt de gerechten ook zijne opgeruimdheid. Tusschen zijne vingers kruimelt zich het brood, zijne oogen staren in de verte en keeren dan met een ruk plotseling tot de werkelijkheid terug, als hij het kwijnend gesprek plichtmatig opvat. Zoo dadelijk — er is geen ontkomen aan — moet hij den jubilaris toespreken. Juist hij. Niemand mag meerder aanspraak maken op dit voorrecht; niemand, die niet wacht tot hij dezen zijnen plicht zal hebben volbracht. En er komen blikken naar zijn kant, vragende, aansporende, medelijdende, spotachtige blikken. Ten laatste — een tik tegen 't glas — hij heeft het woord. Och arme, hij heeft het maar zeer weinig. Hoe goed bestudeerd, hoe ijverig van buiten geleerd, nu, in deze drukkende stilte, met al die afwachtende aangezichten, die lijdelijk voor zich neêrstaren, aan deze tafel, die plotseling versteend schijnt, ingeslapen als het kasteel der Schoone Slaapster, nu haken de woorden in zijn keel en hechten zich aan het droog verhemelte en schuren over de lippen, om hortend en stootend, stotterend en hakkelend naar buiten te hinken. En toch, geloof het vrij, in zijnen geest zijn het zeer goede, fijne, hartelijke woorden. Doch hij draagt dien schat in aarden vaten, en de buitenwereld bespeurt er niets van; laat hij dankbaar zijn, als een handig dischgenoot met een kwinkslag aan de pijniging een einde maakt.

Er zijn er, die van verlegenheid brutaal worden. Oom van Putten wordt een held van angst en neemt

Sluiten