Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het leven zoo aangenaam mogelijk maken. Vriendelijkheid, toegevendheid, zelfbedwang, medelijden, zóó zijn onze manieren. En eene vrouw moge leelijk zijn of sjofel gekleed, bezit zij deze liefde, dan gaat van haar eene bekoring uit, waaraan niemand weerstand kan bieden: de bekoring der ware, zedelijke welgemanierdheid."

Bravo ! riep ik in mijzelven. Hier is nu eene vrouw, die begrijpt en neerschrijft, dat onze manieren slechts iets beteekenen, als zij de openbaring zijn van eigenschappen. Dat fatsoen niet is het geheel van aangeleerde plichtplegingen, van louter uitwendige, niets beteekenende vormen , maar een gemoedstoestand. Die namelijk , welke ons drijft om aan anderen te doen al wat wij zouden willen, dat men ons deed; om angstig te vermijden alles wat iemand zou kunnen kwetsen, verlegen maken, verdriet veroorzaken. Zachtjes loopen in eene ziekenkamer; voor eene vrouw uitwijken op de kleine steentjes; zijne plaats binnen in de tram afstaan aan een oud man; den stamelaar kalm en geduldig aanhooren: den verlegene in het gesprek betrekken ; den mislukten schotel bij 't jonge gastvrouwtje, die 't niet al te breed heeft, eten met eene uitdrukking van half-bedwongen, epicuristisch welbehagen; de aandacht afleiden van een die, in zijne schutterigheid , eene domheid zeide; al zulke dingen zijn uitingen van christelijk fatsoen. „Spreekt en handelt naar uw goeden smaak en vriendelijk hart," zegt mevrouw Johanna van Woude tot hare jonge dames, en de raad is goed.

Sluiten