Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene heftigheid ten slotte, dat de roode-nestel-man, vlak vóór eene prachtig liggende carambole, de keu had weggezet, zeggende, dat hij zich te driftig had gemaakt om te spelen. Ja, op een avond geschiedde er nog iets heel anders. Het was ongeveer eene week vóór de beslissende vergadering van den raad. Om de leestafel, waarom bij ons, vaak reeds te twee uur, wanneer de dagtaak achter den rug is, gewoonlijk de prettige en drukke praters zitten, bevonden zich een paar — zij 't ook aarzelende — leden van de derde groep en enkele woordvoerders der beide groote partijen. Terwijl de discussie reeds heftig begon te worden, vroeg een der laatsten plotseling aan de nieuwerwetschen: „Jelui, met je voortdurende obstructie-politiek, wat zoudt gijlieden dan toch eigenlijk willen ?" Die vraag op den man af deed het plotseling stil worden om de leestafel en allen zagen in gespannen aandacht de beide nieuwlichters aan. De een, eigenlijk een weifelaar, zeide dat hij dat niet zoo opeens zou kunnen zeggen, maar dat er toch wel dingen waren, die geen uitstel konden lijden. De ander, brutaler, beweerde, dat hij zou willen, dat de raad, in plaats van met die nestel-kwestie, zich eens ernstig bezighield b. v. met de vraag der woningen, want dat er huizen waren , zooals de heeren wel moesten weten, waarin geen mensch het kon uithouden. Maar hem werd handig gediend van repliek. Vooreerst, dat zelfs de Minister van Oorlog in Den Haag wel over de kleur van uniformen dacht, wat overtuigend het hoog

Sluiten